MARMA'S

 

Marma’s van hoofd, keel en hals (37):

1. adhipati = de opperste heer - 1
adhipati = opperheer, heerser

2. simanta = hij die de grens vormt - 5
simanta = grens (van de schedelbeenderen), scheiding (in het haar)

3. krikatika = de nek - 2
krkatika = nekgewricht
krka = keel

4. sthapani = dat wat ondersteuning geeft - 1
sthapani = ruimte tussen de wenkbrauwen

5. utkshepa = wat is opgetrokken, de opgooi - 2
utksepa = de opgooi, het omhoogkomen, de verspreiding

6. shankha = het tempelbeen - 2
shakha = de tempel, het slaapbeen (tempelbeen), de schelp (ook als muziekinstrument)

7. awarta = de draaiing – 2
avarta = draai, draaiing of kruin in het haar, indeuking in het voorhoofd

8. apanga = de buitenste ooghoek - 2
apanga = de buitenste ooghoek
apa = weg van, aan de buitenkant van
anga = ledemaat, lichaamsdeel

9. phana = de neusvleugel - 2
phana = neusvleugel, neusgat, slangenkop

10. shringataka = de plaats waar vier wegen langs gaan – 4
srngataka = kruispunt van vier wegen
srnga = hoorn (ook als blaasinstrument), het uiterste einde, hoornen van de maan, top v.e.berg etc.
tak = zich haasten

11. nila & manya = de donkere / de keel - 4

nila (adj.) = zwart, donkerblauw
nila (subst.) = saffier, Indische vijgeboom, indigo
manya = de acherkant van de nek


12. sira matrika = het meetpunt van de bloedvaten - 8
sira = bloedvat, pijp
matrika = maatstaf, maat, model


13. vidhura = de eenzame – 2
vidhura = alleen gelaten, eenzaam

 

Marma’s van borst en buik (12):

21. hridaya = het hart - 1
hrdaya = hart, geest


22. apalapa = het verborgene - 2
apalapa = dat wat verborgen is


23. apastambha = de bronchiën - 2
apa = aan de zijkant
stambha = kolom, pilaar


24. stanarohita = de bovenkant van de tepel - 2
stana = tepel
rohita = berg


25. stanamula = de wortel van de tepel - 2
stana = tepel
mula = wortel, basis


26. basti = de blaas - 1
basti = blaas


27. nabhi = de navel - 1
nabhi = navel, naaf van een wiel

28. guda = het perineum – 1

Marma’s van armen en handen (22):

29. kakshadhara = het schoudergewricht - 2
kaksa = oksel
dhara (adj.) = dragend, steunend, houdend
dha = vasthouden, dragen, vasthechten, produceren, steunen


30. lohitaksha = het rode oog - 2
lohitaksa = rode dobbelsteen, rood oog
lohita = rood
aksa = oog, dobbelsteen


31. urvi = het midden van de dij (hier: bovenarm) - 2
uru = dij
rvi = midden van de dij


32. ani = het middelpunt - 2
ani = pin/middelpunt van de as


33. kurpara = de elleboog - 2
kurpara = elleboog


34. indrabasti = de kuit (hier: onderarm; lett.: de blaas van Indra) - 2
basti = blaas


35. manibandha = de pols - 2
mani = parel, juweel
manibandha = de plaats waar je juwelen aandoet, pols


36. kurchashira = de kop van de bundel – 2
kurca = bundel, bosje
siras = hoofd, kop, top


37. talahridaya = het hart van de handpalm - 2
tala = handpalm, voetzool, oppervlakte
hrdaya = hart, geest


38. kurcha = de bundel – 2
kurca = bundel, bosje, borsteltje


39. kshipra = de vlugge - 2
ksipra = vlug, elastisch

 

Marma’s van de rug (14):

14. amsa = de schouder - 2
am.sa = schouder


15. amsaphalaka = het schouderblad - 2
am.sa = schouder
phalaka = plank, speelbord, schild, palm v.d. hand


16. brihati/vrihati = de brede, het brede van de rug – 2
brhat = breed, groot, lang, dik, uitgestrekt, volgroeid
brhati = deel van het lichaam tussen borst en ruggegraat (het breedste deel)
brh = vermeerderen, groeien


17. parshvasandhi = het gewricht in de flanken - 2
parsva = gebied v.d. ribben, zijde, flank
sam.dhi = verbinding, gewricht


18. nitamba = het achterwerk – 2
nitamba = achterwerk, billen (m.n. van een vrouw), helling van een berg
nitambavati = vrouw met mooie billen


19. kukundara = de holte – 2
kukundara = lendenholte
kuc = samentrekken, buigen


20. katikataruna = wat omhoog komt uit het heupbeen – 2
kati / kati = heup
katika = heupbeen
tarun a (adj.) = jong, teer fris, nieuw, levend
tarun a (subst.) = jeugd, spruit, blaadje


Marma’s van de benen (22):


40. vitapa = de lies - 2
vitapa = tak, scheut, perineum (daar waar een afsplitsing is)


41. lohitaksha = het rode oog - 2
lohitaksa = rode dobbelsteen, rood oog
lohita = rood
aksa = oog, dobbelsteen


42. urvi = het midden van de dij - 2
uru = dij
urvi = midden van de dij


43. ani = het middelpunt - 2
ani = pin/middelpunt van de as


44. janu = de knie - 2
janu = knie


45. indrabasti = de kuit (lett.: de blaas van Indra) - 2
basti = blaas


46. gulpha = de enkel – 2

gulpha = enkel


47. kurchashira = de kop van de bundel - 2

kurca = bundel, bosje, borstel
siras = hoofd, kop, top


48. talahridaya = het hart van de voetzool - 2
tala = voetzool, handpalm, oppervlakte
hrdaya = hart, geest


49. kurcha = de bundel - 2
kurca = bundel, bosje, borstel


50. kshipra = de vlugge - 2
ksipra = vlug, elastisch

 

MARMAS OKSEL

 

 

VOETZOOLMARMAS

i

homepages Reiki-Lotus