welk type ben jij?
doe de test.
Beantwoord de 40 vragen zo eerlijk mogelijk
en tel aan het einde het aantal A's,B's en C's op.
Hoofdzakelijk A = VATA
Hoofdzakelijk B = PITTA
Hoofdzakelijk C = KAPHA
Als je op een (bijna) gelijk aantal A's,B's of C's
uitkomt,dan bent u een combinatietype.
(B.v:15A+15B+10C= Vata-Pitta type.)
Bij de keuze voor A,B of C is het niet noodzakelijk dat aan alle daarachter vermelde
karakteristieken wordt voldaan. Kies datgene wat het meest bij je past.
1.Lichaamsbouw.
A.Lang, dun, kort, slecht ontwikkelde lichaamsbouw.
B.Middelmatig van lengte, matig ontwikkelde bouw.
C.Kort, stevig tot corpulent, goed ontwikkelde bouw.
2.Gewicht.
A.Laag, duidelijk zichtbare botten.
B.Matig, goed spierweefsel.
C.Zwaar, neiging tot zwaarlijvigheid.
3.Gelaatskleur/voorkomen.
A.Vaal, tanig,bruinig,dof.
B.Rood,rossig, blozend.
C.Wit, bleek.
4.Huid.
A.Dun, droog, koud, ruw, barstend, duidelijk zichtbare
aderen.
B.Warm, vochtig, rose,ev.mee-eters, sproeten, acné.
C.Dik, wit, vochtig, koud, zacht, egaal.
5.Haar.
A.Weinig, grof, droog, bruin, krullend.
B.Matig, fijn, zacht,vroeg grijs of kaal.
C.Overvloedig, vettig, dik, golvend, glanzend.
6.Hoofd.
A.Klein, onvast.
B.Middelmatig.
C.Groot,stabiel.
7.Voorhoofd.
A.Klein.
B.Met rimpels.
C.Groot.
8.Wenkbrouwen.
A.Klein, dun, onregelmatig.
B.Matig, fijn.
C.Dik, borstelig, veel haren.
9.Wimpers.
A.Klein, droog, stevig.
B.Klein, dun, fijn.
C.Lang, dik, vettig, stevig.
10.Ogen.
A.Klein, droog, smal, bruin, dof, onvast.
B.Middelmatig, smal, rood(snel ontstoken),
groen,doordringend.
C.Groot, wijd, prominent, dik, vettig, wit, sprekend.
11.Neus.
A.Smal, klein, droog, krom en/of scheef.
B.Middelmatig.
C.Dik, groot, stevig, vettig.
12.Lippen.
A.Smal, klein, donker, droog, onvast.
B.Middelgroot, zacht, rood.
C.Dik, groot, vettig, egaal, stevig.
13.Tanden en tandvlees.
A.Dun, droog, klein, ruw, onregelmatig, terugtrekkend
tandvlees.
B.Middelmatig, zacht, rose, snel bloedend tandvlees.
C.Groot, dik, zacht, rose, vettig.
14.Schouders.
A.Smal, klein, vlak.
B.Middelmatig.
C.Breed, vlezig, stevig, vettig.
15.Borst.
A.Mager, klein, smal, weinig ontwikkelt.
B.Middelmatig.
C.Breed, groot, goed tot overontwikkelt.
16.Armen.
A.Dun, klein, weinig ontwikkelt.
B.Middelmatig.
C.Groot, vlezig, lang, goed ontwikkelt.
17.Handen.
A.Klein, dun, droog, koud, ruw, kloven, onvast.
B.Middelmatig, warm, rose.
C.Groot, vlezig, vettig, koel, stevig.
18.Kuiten
A.Klein, hard.
B.Los, zacht.
C.Rond, gevormd, stevig.
19.Voeten.
A.Klein ,dun, droog, ruw, kloven, onvast.
B.Middelmatig, zacht, rose.
C.Groot, dik, hard, stevig.
20.Gewrichten.
A.Klein, dun, droog, onvast,"knakkend".
B.Middelmatig, zacht, los.
C.Groot, dik, goed en stevig gebouwd.
21.Nagels.
A.Klein, dun droog, ruw, donker.
B.Middelmatig, zacht, rose.
C.Groot, dik, egaal, wit, stevig, vettig.
22.Urine.
A.Weinig, moeizaam, kleurloos.
B.Overvloedig, geel tot rood, brandend.
C.Matig, witachtig tot melkachtig.
23.Ontlasting.
A.Weinig, droog, hard, moeizaam en/of pijnlijk, gas,
neiging tot constipatie.
B.Veel, los, neiging tot diarree,met brandende sensatie.
C.Matig, stevig, slijm in de ontlasting.
24.Zweet/lichaamsgeur.
A.Weinig, zonder geur.
B.Overvloedig, heet, sterke geur.
C.Matig, koud, plezierige geur.
25.Eetlust.
A.Variabel, grillig.
B.Sterk,snel.
C.Constant, matig.
26.Stem.
A.Laag, zwak, rauw.
B.Hoog van toon, scherp.
C.Plezierig, diep, welluidend.
27.Manier van spreken.
A.Snel, onlogisch, grillig, spraakzaam.
B.Matig, goed met argumenten, overtuigend.
C.Langzaam, beslist, niet spraakzaam.
28.Mentale aard.
A.Snel, gemakkelijk aanpassend, besluiteloos.
B.Intelligent, doordringend, kritisch.
C.Langzaam, evenwichtig, (s)loom.
29.Geheugen.
A.Slecht; begripsvermogen is prima, maar vergeet snel.
B.Scherp, helder.
C.Langzaam van begrip, maar zeer goed geheugen.
30.Emotionele aanleg.
A.Angstig, bezorgd, nerveus.
B.Kwaad, geïrriteerd, twistziek.
C.Kalm, tevreden, gehecht, sentimenteel.
31.Aard.
A.Grillig, wisselend, rebel.
B.Vasthoudend, fanatiek, leider.
C.Constant, loyaal, conservatief.
32.Slaap.
A.Licht, neiging tot slapeloosheid.
B.Matig, kan wakker worden maar valt dan spoedig
weer in slaap.
C.Zwaar, diep, moeite met wakker worden.
33.Dromen.
A.Vliegen, beweging, rusteloosheid, nachtmerries.
B.Kleurrijk, gepassioneerd, conflicten.
C.Romantisch,sentimenteel, droomt weinig.
34.Gewoonten.
A.Houdt van bewegen, reizen, parken, toneelspel,
grappen, verhalen, dansen, artistieke activiteiten.
B.Houdt van sport, politiek, schilderen en jagen.
C.Houdt van water, zeilen, bloemen, cosmetica,
zaken doen.
35.Aktiviteit.
A.Snel, instabiel, grillig, hyperactief.
B.Middelmatig, gemotiveerd, moet doel hebben en gaat
daar recht op af.
C.Langzaam, evenwichtig, statig.
36.Inspanningsververmogen.
A.Laag, slecht uithoudingsvermogen, start en stopt snel.
B.Middelmatig, verdraagt slecht hitte.
C.Sterk, goed uithoudingsvermogen maar komt
moeizaam op gang.
37.Seksueel karakter.
A.Variabel, weinig lust, afwijkend, sterk verlangen maar
weinig energie. Weinig kinderen.
B.Matig, met passie, twistziek, dominant.
C.Laag maar constant sexueel verlangen, goede seksuele
energie, toegewijd, veel kinderen.
38.Gevoeligheden.
A.Afkeer van kou en wind, gevoelig voor droogte.
B.Afkeer van hitte, hekel aan zon en vuur.
C.Afkeer van kou en vocht, houdt van wind en zon.
39.Weerstand tegen ziekten.
A.Slecht, variabel, zwak immuunsysteem.
B.Middelmatig, aanleg voor infecties.
C.Goed, gelijkmatig, sterk immuunsysteem.
40.Aanleg voor ziekten.
A.Ziekten van het zenuwgestel, pijn, artritis, geestelijke
aandoeningen.
B.Koortsige ziekten, infecties, ziekten met ontstekingen.
C.Ziekten van de luchtwegen, slijm, oedeem
Homepagina Sangha Reiki

