Het ontstaan
van het Boeddhisme.
In een klein landje wat nu bekend is als het zuiden van Nepal
regeerde
zo’n 2500 jaar geleden een koning genaamd Shuddodana
Gautama.
Die leefde samen met zijn vrouw Mahamya.
Terwijl zij in verwachting
was had zij
op een keer een rare droom
over een baby olifantje die haar met zijn
slurf zegende.
Waarvan ze dacht dat het een bijzonder voorteken zou
zijn.
Toen de dag kwam om te bevallen reisde de koning terug naar
haar vaders koninkrijk om daar te kunnen bevallen.
Tijdens de reis
kreeg ze erge
pijn. In Lumbini onder een paar bomen bevalt ze van een zoon.
Na een
soort douche geeft ze hem een naam.
Ze noemden hem Siddharta wat betekent “Hij
die zijn bestemming bereikt”.
Zeven dagen na zijn geboorte overlijdt
zijn moeder en wordt hij opgevoed door haar zus,
Mahaprajapati. Prins
Siddhartha werd 563 jaar voor Christus geboren, in het dorp Loembini.
Zijn vader stelt een Asita (een sooth sayer) aan, zodat die zijn eigen
bezig kan gaan houden met de toekomst van zijn zoon.
Die concludeerde
dat hij twee dingen kon worden:
een koning net zoals zijn vader, een
grote wijze
of een redder van de mensheid.
Op bevel van zijn vader, de
koning, mag Siddhartha enkel de plezierige en aangename kanten van het
leven kennen.
Hij mocht alleen op het land van een van de drie paleizen
komen.
Hij groeide op tot een knappe jongeman die als prins in de strijders
kaste trainde in kunsten van oorlog.
Toen het tijd werd om te trouwen
leerde hij een prinses kennen van een naburig land.
Hij trouwde met Yashodhara
op zestien jarige leeftijd.
Na jaren achter de muren van het paleis gezeten te hebben werd Siddhartha
nieuwsgierig
over hoe het volk buiten de paleismuren zou zijn.
Maar nog
steeds mocht hij van zijn vader niet buiten de paleismuren komen.
Tijdens
zijn reis naar de hoofdstad komt hij zieke, oude en dode mensen tegen.
Hij vraagt veel aan zijn vriend die hem uit legt dat iedereen wel eens
ziek wordt en dat iedereen oud wordt en dood gaan.
Vanaf dat moment komt
alles bij hem oppervlakkig en bedrieglijk over.
Met een schok komt hij
tot het besef dat elk mens onderhevig is aan ziekte,
verdriet, pijn,
ouderdom en dat het leven eindig is.
Op negentwintigjarige leeftijd verlaat hij stiekem het paleis,
zijn vrouw en zoon, Rahula, om nooit meer terug te keren.
Hij veranderde
zijn leven door zijn haar af te knippen en andere kleren te gaan dragen,
ook begon hij met het bestuderen van het dagelijks leven.
Hij studeerde
enige tijd in het woud bij twee beroemde godsdienstleraren.
Maar zij
konden hem niet helpen met wat hij wou weten.
Daarna bracht hij zes jaar
door in vasten en gebed.
Hij verzwakte en kwam bijna om van de honger.
Na zes jaren van studie krijgt hij volgelingen en besluit hij het armenleven
in te gaan en te kijken hoe het is.
Zijn volgelingen de asceets kijken
toe.
Hij weigerde ook steeds vaker om te eten, totdat hij bijna in de fase
was van bijna dood.
Na een tijdje bood een vrouw hem eten aan, omdat
ze medelijden met hem heeft.
Hij realiseerde zich dat als hij zijn eigen
zo uitputte dat het hem ook nergens zou brengen
en dat het beter zou
zijn als hij een weg zou vinden die tussen arm en luxe in zijn zit.
Hij
begon weer te eten en de asceets zagen dat.
Hij nam de weg weer tot de
levenden en de helder denkende mens.
Hij wilde antwoorden zoeken op alle vragen over het lijden en
het sterven.
Hij bracht jaren vatend en bidden door en al mediterend
onder een grote
boom in Bodh Gaya
raakte hij tenslotte “verlicht”, doordat
hij tijdens de volle maan die avond
in mei eindelijk het antwoord begrijpt
over het leiden tijdens de morgenstond.
Hij beseft dat mensen ongelukkig
zijn, omdat ze nooit tevreden zijn met wat ze hebben.
Ze willen altijd
maar meer en met deze gedachte trekt hij India rond.
Hij krijgt de naam
Boeddha wat betekent “de verlichte” en “hij die bewust
is”.
Een boeddha is iemand die het lijden in de wereld heeft gezien
en een manier heeft gevonden om gelukkig te zijn.
Tijdens zijn reis probeerde Mara hem van zijn pad af te brengen om zijn
trots te behouden
en probeerde hem eerst bang te maken en later met behulp
van zijn dochters
Boeddha van zijn pad af te brengen, maar alles mislukte.
Op een dag als Boeddha weer onder zijn boom
(ook wel bodhi genoemd)
zit komt hij tot de conclusie dat niemand hem begrijpen zal.
Brahma koning
van de Goden overtuigd hem ervan om de mensen over zijn leven te vertellen
en dat dan mensen zouden kunnen ontwaken die een “beetje vuil” in
hun ogen zouden hebben.
In Sarnath dichtbij Benares daar kwam hij de asceets tegen
en na een
paar dagen oefenen preekte hij zijn eerste ceremonie in een hertenkamp.
Wat heette de opzet van zijn raad en de leer van zijn stoelgang.
Hij
legde hun de vier enige waarheiden en het achtvoudige pad uit.
De asceets
werden zijn eerste discipelen en het begin van de Sangha of de monniken
gemeenschap.
Koning Bimbisara van Magadha had gehoord van Boeddha’s
woorden
en schonk hem een klooster dichtbij Rahagriha,
zijn kapitaal
zodat hij
die kon gebruiken tijdens het regenseizoen.
Dit en andere vrijgevige
donaties werden toegestaan door de gemeenschap
van bekeerden zodat ze
met hun oefeningen door konden gaan.
Zo kregen ook steeds meer mensen
de kans om over Boeddha te horen.
Na een tijdje werd Boeddha door zijn vrouw, zoon, vader en tante
benaderd.
Zijn zoon werd ook een monnik.
Hij leerde hem de gevaren
die je kreeg
als je gelogen had.
Boeddha’s vader werd een bedaarde volger,
omdat
hij bedroefd was dat zijn zoon en kleinzoon vertrokken en het monnikenleven
in gingen.
Hij vroeg Boeddha of hij de regel in wilde stellen dat als
mannen monnik wilde worden
dat ze dan eerst hun ouders om toestemming
moeste vragen.
Boeddha liet het erbij.
Zijn vrouw en tante werden toegestaan in de Sangha die eigenlijk alleen
voor mannen was.
Door de cultuur en tijden heen raakten vrouwen steeds
lager dan de mannen
en werden dan ook minder belangrijk.
Eerst leek het
dat als ze vrouwen zouden toestaan in de Sangha dat het geloof zou afzwakken,
maar Boeddha kreeg medelijden en dus werden zijn vrouw en tante de eerste
Boeddhistische nonnen.
Boeddha zij dat het niet uitmaakte hoe iemand er voor stond in de wereld,
wat zijn achtergrond was, ook maakte het niet uit hoe rijk iemand was
of wat voor nationaliteit iemand had.
Ze waren allemaal bruikbaar en
welkom in de Sangha.
De eerste echte monnik, Upali, die eerst een kapper
was,
had een hogere rang dan koningen, omdat hij als eerst zijn eed aflegde.
Boeddha’s leven was niet zonder teleurstellingen.
Zijn neef Devada
was een ambitieuze man.
Hij vond dat die wel een grotere macht mocht
hebben in de Sangha.
Hij kreeg het voor elkaar een paar monniken te beïnvloeden
zodat hij in zou stemmen voor een extreme ascese.
Ook legde hij contact
met een plaatselijke koning om de Boeddha te vermoorden
zodat hij de
Sangha over kon nemen.
Maar zijn plan mislukte.
Boeddha had zijn “Verlichting” volbracht op vijfendertig
jarige leeftijd.
Hij wilde de mensen in noordoost India onderwijzen voor
nogmaals vijfenveertig jaar.
Toen Boeddha tachtig jaar oud was, vertelde
hij zijn vriend en nicht Amanda dat hij ze snel zou gaan verlaten.
En
zo kwam het dan hij in Kushinagara, nog geen 100 mijl van zijn thuisland.
Hij at bedorven voedsel en werd erg ziek.
Hij ging in een diepe meditatie
onder een bosje van Salsa bomen en overleed daar.
Zijn laatste woorden
waren: “Vrijblijvend zijn alle teweeggebrachte dingen”
en “Strijd
door bij bewustzijn”.
Na de dood van Boeddha is het Boeddhisme toch voortgebracht
en zijn er nu meer als vierhonderd miljoen boeddhisten over de hele
wereld verspreidt
in: Azië, Europa, Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië.
Het
boeddhisme heeft zich in twee hoofdrichtingen ontwikkeld:
1) Het Hinayana (het kleine voertuig).
2) Het Mahayana (het grote voertuig).
Het Hinayana boeddhisme heeft zich in zuidelijke richting verspreid
naar:
Sri Lanka, Thailand, Birma, Laos, Cambodja en Zuid-Vietnam.
Het Mahayana boeddhisme heeft via Tibet, China, Mongolië en Korea
ook in Japan aanhangers gekregen.
Goden of goden
Het boeddhisme kent geen goden noch Goden,
het is dan ook geen godsdienst,
omdat
er binnen een godsdienst goden worden geëerd, zoals het Jodendom, Christendom,
Hindoeïsme of Islam.
Het is dus een religie die dingen
tot elkaar brengt,
de manier hoe je tot de werkelijkheid komt is heel
belangrijk.
Er wordt door veel mensen gedacht dat Boeddha een van de
goden van het boeddhisme is,
omdat er zoveel beelden van hem zijn, maar
Boeddha is nu juist weer de stichter.
Er zijn ook veel beelden van andere
personen, ook dat zijn geen goden.
Die beelden zijn gewoon belangrijke
mensen die veel goede dingen
of uitvindingen gedaan hebben voor hun geloof.
Zo zijn er ook mensen die een beeld laten maken van een overleden familielid.
Op die manier blijven ze het familielid en houden zijn geest dan in ere.
Het belangrijkste beeld wat er is dat is van Siddharta Gautama, boeddha,
de stichter van het boeddhisme.
Er zijn van hem ook meerdere beelden
in verschillende grote, maten en kleuren.
Hij heeft de grondslag gelegd
voor het boeddhisme en heeft een school opgericht.
Door de jaren heen
zijn er veel personen geweest die wat verandert of toegevoegd hebben
aan het boeddhisme.
Van veel van die mensen waar wat over bekend is en
beeld van.
Zo staat er hieronder ook een raar persoon. Er is ook een beeld van een legende die wel heel leuk is.
Het is geen
hij of een zij.
Deze monnik viel tijdens het mediteren altijd in slaap.
Na een tijdje vond hij het niet leuk meer en sneed daarom zijn oogleden
af die hij ergens neer smeedt.
Op begeven moment begon er op de plek
waar de afgesneden oogleden lagen een plantje te groeien.
Hij vond het
zonde om de blaadjes weg te gooien.
Dus deed hij de blaadjes in het water
wat hij aan het koken was.
Toen het water gekookt was, schonk hij het
brouwsel in het glas.
Voordat hij het op ging drinken, haalde hij de
blaadjes eruit. Hij vond het erg lekker.
Hij heeft dus zogezegd de thee
uitgevonden.
Sindsdien is thee erg belangrijk voor het boeddhisme.
Zo zijn er binnen het boeddhisme nog veel meer goden,
maar dan wordt
het een lijst dat teveel wordt om op te noemen.
Heilige geschriften
De boeddhisten hebben geen heilige geschriften.
Er zijn wel geschriften
geschreven door leraren,
maar de meeste zijn in het chinees geschreven
en worden dan door vele mensen vertaald.
Zo komen er ook verschillen
tussen de vertalingen en dan gelooft de een zijn vertaling
en de ander
gelooft ook weer in dat van een ander.
Het zijn manieren hoe je tot de werkelijkheid komt.
Veel mensen hebben
hun eigen idee achter deze geschriften.
Omdat iedereen zijn eigen manier
heeft om achter de werkelijkheid te komen
en iedereen de geschriften
anders leest en begrijpt.
Monniken en nonnen
In India hoorde Rahoela en zijn neef Ananda tot de eerste monniken.
In
boeddhistische landen als Thailand en Birma zijn jongens vaak een paar
maanden in een klooster.
Dat is deel van hun opvoeding.
Als zij van huis
gaan, dragen zij mooie zijden kleding en rijden op een wit paard,
net
als prins Siddhartha, voordat hij de Boeddha werd.
Zodra de jongens in
het klooster aankomen,
worden zij kaalgeschoren en krijgen zij eenvoudige
oranje kleding.
Terwijl zij in het klooster zijn, leren zij over Boeddha.
Maar ze krijgen
ook hun gewone schoolvakken.
Sommige jongens blijven in het klooster
om monnik te worden.
De andere gaan na een paar maanden weer terug naar
huis.
Boeddhistische monniken leven heel eenvoudig.
Ze bestuderen teksten
en leren mediteren.
Ze helpen bij de dagelijkse gang van zaken in een
klooster, organiseren feesten en vieringen,
en werken soms samen met
de mensen uit de buurt.
In landen als Sri Lanka en Thailand hopen de
mensen er beter van te worden
als ze monniken voedsel toestoppen in hun
bedelnappen.
Monniken nemen dit voedsel mee naar hun klooster.
Dit voedsel vormt hun
enige maaltijd en moet voor twaalf uur worden opgegeten.
Verder zijn
er veel meer monniken dan nonnen.
Tempels en andere plaatsen
Eén van de heiligste plaatsen van boeddhisten is de geboorteplaats
van Boeddha.
Dat is de plaats Loembini in Nepal.
Pelgrims kunnen er tegenwoordig
een moderne tempel bezoeken toegewijd aan koningin Maya,
en het bad waar
ze voor de geboorte van Boeddha in had gebaad.
En de ruïnes van
het paleis waarin prins Siddhartha in zijn jongensjaren doorbracht liggen
er vlakbij.
Verder zijn er nog twee heel heilige plaatsen voor Boeddhisten die zijn:
de bodhi-boom in Bodh Gaya in Oost-India waar prins Siddhartha werd verlicht.
En zijn sterf plaats Koeshinagara waar ook een beeld van Boeddha ligt
op zijn zij.
Manden en soetra’s
Ongeveer vierhonderd jaar na de dood van boeddha is zijn leer mondeling
doorgegeven.
Tot de eerste eeuw voor Christus is niets opgeschreven.
Toen is de leer van Boeddha verzameld in de Tripitaka, de drie manden.
De eerste bevat regels voor de monniken en nonnen.
De tweede de leer
van Boeddha en de derde de uitleg van de leer van Boeddha.
De delen worden
manden genoemd omdat de teksten vroeger op palmbladeren werden geschreven
en die werden in manden bewaard. De drie manden zijn de belangrijkste
teksten voor de Theravada-boeddhisten.
De Mahayana-school noemt zijn geschriften soetra’s.
De leer van Boeddha
De leer van boeddhisme bestond zo 2500 jaar geleden.
In het
boeddhisme staat dat de mens met alles wat zich in die mens afspeelt,
centraal is.
Het doel van deze waarheden is om een antwoord te geven op een concreet
menselijk probleem: het lijden.
Het leven bestaat uit allerlei vormen
van lijden: pijn, verdriet, haat, noem maar op.
Dit lijden wordt niet
geleid door een hogere macht, maar de oorzaken liggen vooral in de mens
zelf (het karma).
Dat betekent ook dat de mens zich ervan kan bevrijden.
Siddharta Gautama in zijn opperste verlichting onder de “bodhiboom”
(bodhi
is verlichting) kreeg, wordt “De Vier Edele Waarheden” genoemd.
Die waarheden zijn:
1.Het lijden, als synoniem voor de gerechtigheid aan het aardse bestaan
en het niet verlost zijn uit de keten van wedergeboorten.
2.De oorsprong van het lijden, namelijk het verlangen en de zucht naar
vreugde, lust en bezit.
3.De opheffing van het lijden, dat wil zeggen de vernietiging van begeerte,
haat en onwetendheid.
4.De we naar de opheffing van het lijden in de vorm van “Het Edele
Achtvoudige Pad”. Dit pad houdt in:
-de juiste inzichten (overeenkomstig de vier waarheden)
-de juiste bedoelingen (geen bezitsdrang, wreedheid of boosheid)
-de juiste woorden (geen leugens, roddels of ruwe taal)
-Het juiste handelen (geen geweld tegen mensen of dieren, niet stelen
en niet genieten ten koste van anderen.
-De juiste levenswijze (een eerlijk en heilzaam beroep)
-De juiste inspanning (inzet om het heilzame te bevorderen)
-De juiste aandacht (alert zijn voor het hier en nu)
-De juiste concentratie (op het hier en nu, of op een heilzaam object)
De drie sieraden.
De Boeddha is één van de drie sierraden van het
boeddhisme.
De andere twee zijn de dharma ofwel de leer van Boeddha,
en de sangha
ofwel de boeddhistische gemeenschap.
Alle boeddhisten verbinden zich
aan deze drie idealen en nemen deze als hun leidraad voor het leven.
De vijf voorschriften zijn:
1.Levende wezens niet schaden of doden;
2.Geen dingen nemen die je niet gegeven worden;
3.Verstandig en zuiver leven;
4.Niet onvriendelijk of oneerlijk doen;
5.Geen verdovende middelen of alcohol gebruiken.
Ieder mens kan zichzelf verlossen van innerlijke binding aan materie
en lijden en daarmee van het lijden zelf, en verlicht worden,
door dit
Pad te gaan en door zijn toevlucht te zoeken bij “De Drie Juwelen”,
namelijk Boeddha.
Als een historische figuur en als een beginsel van
verlichting.
Dharma - De leer en tegelijk de komische wet, en Sangha –
De
gemeenschap, zoals die van de monniken als van diegenen die de komische
wet hebben verwezenlijkt.
Drie keer heeft Boeddha “Het Rad van de Leer aan het draaien gebracht”.
Dat wil zeggen een rede gehouden waarin hij achtereenvolgens drie niveaus
van begrijpen aansprak.
Van hieruit zijn er drie verschillende richtingen
ontstaan,
die “De Drie Voertuigen genoemd worden. Die voertuigen
zijn:
1. Hinayana – het “Kleine Voertuig”, ook wel
de Theradava genoemd.
In deze beginleer gaat men ervan uit dat ieder
mens door vele
levens
heen verlichting kan bereiken door zelfdiscipline en voor zichzelf
alleen.
Diegene die zich daar naartoe richt op de Vier Waarheden en het
Achtvoudige Pad te volgen.
En het doel willen bereiken van Nirvana, dat
is de plek waar alle lijden meteen zijn opgelost.
2. Mahayana – het “Grote Voertuig” die wordt ook wel
Bodhistvayana genoemd.
In deze “middenleer” wordt ervan uit
gegaan dat de verlichting alleen te bereiken is via hulp van buitenaf.
Training en lering door een verlichte leraar,
maar ook geloof en toewijding
en de hulp van de tijdloze voeren de Bodhisattva’s naar het boeddhaschap.
Het doel is de absolute leegte.
3. Vajrayana – het “Diamanten Voertuig”, ook wel de
Tantrayana genoemd.
Deze eindleer gaat uit van de opvatting dat ieder
wezen potentiële Boeddha is;
hij is zich daar niet van bewust door
de dichte mist van onwetendheid en verwarring die zijn geest verduistert.
Dit is ook de oorzaak van lijden.
Zowel de woorden - als de beeldentaal van Mahayana en Vijrayana
zijn rijk aan de symboliek.
Ieder aspect van verlichting vindt zijn
uitbeelding
in een van de Boeddha’s
en de Boddhisattva’s en in de godengestalten
die vaak overgenomen zijn van oudere religies.
Het aanschouwen van beelden
is een meditatieoefening tot innerlijk contact met het uitgebeelde aspect,
waarbij elk handgebaar, elke houding, elk afzonderlijk attribuut een
symbolische betekenis heeft.
Dit was de leer van Boeddhisme.
Boeddhistische feesten
Er zijn veel boeddhistische feesten, soms verschillen zij van land tot
land of van plaats tot plaats.
Vesak
Dit feest wordt gevierd op de avond van de volle maan in mei.
De Theravada-boeddhisten
vieren dan de geboorte, de verlichting en de dood van Boeddha.
Het is
een blij feest en de beelden van Boeddha worden dan versierd met lichtjes.
Het feest van de Gouden Tand
Dit feest wordt gevierd op de avond van de volle maan in augustus
in
Kandy in Sri Lanka, en is een Theravada-feest.
Dan loopt er een optocht
van mooi versierde olifanten door de stad.
Zij dragen een gouden kistje
mee. Daarin zit de tand van Boeddha.
Volgens de overleveringen is die
gered van de brandstapel van Boeddha.
Hij wordt bewaard in een tempel
in de buurt van Kandy.
Er wordt tijdens dit feest veel gedanst en er
wordt vuurwerk afgestoken.
Hana Matsoeri
Op 8 mei vieren de Japanse boeddhisten de komst van de lente
en de geboorte
van Boeddha met het bloemenfeest Hana Matsoeri.
Soms maakt men ook de
bomengroep in het klein van Loembini na,
of de witte olifant, die de
geboorte van Boeddha aankondigde.
O-bon feest
Dit is één van de twee Mahayana-feesten. Het wordt
in juli in Japan gevierd.
Tijdens het feest gedenken families de geesten
van hun voorouders.
Op de eerste dag worden die geesten welkom geheten.
Op de tweede dag is er een groot feest, met dansen, muziek en speciaal
eten.
Op de derde dag nemen de families weer afscheid van de geesten
van hun voorouders en brengen ze offers aan Boeddha.
Het is ook de laatste
dag van het feest.
SCHOOL
Voor veel families in India is het moeilijk om hun kinderen naar school
te sturen.
Niet alleen moet voor ieder kind ouder dan tien jaar schoolgeld
betaald worden, maar voor heel veel ouders is het moeilijk de verplichte
schooluniformen, boeken en schriften te betalen. Veel kinderen krijgen
daarom geen onderwijs. Op het platteland gaan twee van de drie kinderen
niet naar school. Niet alleen vinden veel ouders school te duur, ze hebben
ook liever dat hun kinderen meehelpen op het land. Ook in de stad krijgen
veel kinderen geen onderwijs, ongeveer twee van de vijf. Als ouders kinderen
naar school sturen dan jongens boven meisjes. Van de Indiase vrouwen
kunnen er drie van de vier niet lezen en schrijven.
Verschillende tradities
De verspreiding van het boeddhisme betekende ook, dat er verschillende
groepen of scholen ontstonden. Deze groepen of scholen verschillen in
de manier waarop zij de leer van Boeddha uitleggen.
In Nepal, China, Japan, Vietnam en Korea vind je de Mahayana-school.
In Sri-Lanka, Birma, Thailand, Cambodja, en Laos de Theravada-school,
en in Tibet, Bhutan en Mongolië de Tantraschool.
De belangrijkste zijn de Theravada-school en de Mahayana-school.
De Theravada-school probeert alles precies te doen volgens de leer van
Boeddha. De volgelingen geloven, dat elk mens helemaal verantwoordelijk
is voor zijn lot. Alleen monniken kunnen volgens hen verlicht raken.
De Mahayana-school is vrijer: daar bestaan verschillende meningen over
het geloven naast elkaar. De volgelingen geloven, dat het leven en wat
mensen doen, nauw verbonden is met wat anderen doen. Iedereen krijgt
de kans, volgens hen, zich te ontwikkelen. Belangrijk is onder anderen
het ideaal van volmaaktheid.
In Japan heet het boeddhisme Zen. Japanners leggen grote nadruk op het
bereiken van verlichting door te mediteren. Verder vinden zij het lezen
van heilige teksten, het doen van goede werken, vechtsporten, schilderen
en dichten ook goede manieren om je te leren concentreren. Want een goede
concentratie is nodig voor het mediteren.
Het Tantraboeddhisme in Tibet heeft geestelijke leiders die
lama’s
worden genoemd. De hoogste leider heet de Dalai Lama. Omdat China, die
Tibet sinds 1959 bezet, de boeddhisten en hun leiders vervolgt, woont
de Dalai Lama nu in India. Wanneer een Dalai Lama sterft, gaat men op
zoek naar een baby, een jongetje, dat hem kan opvolgen. Vroeger werd
die meegenomen naar de hoofdstad van Tibet, Lhasa, om hem verder op te
leiden.
Het zencentrum
Is een
centrum om te mediteren. Boeddhisten mediteren om alles op nieuw
te ervaren. Niet alles te bekijken vanuit wat je al weet. Mediteren is
eigenlijk zitten. En je leeg proberen te maken. Je probeert achter de
waarheid te komen.
Het boeddhisme is ontstaan door de prins boeddha omdat hij op een dag
erachter kwam dat niet alles roze geur en maneschijn was. Ging hij tegen
zijn vader wil de wijde wereld in. Zijn vader zei: dat kan niet jij bent
de troon opvolger. Boeddha liet hem 3 dingen beloven laat mij niet oud
worden, ziek worden, dood gaan. Dat kon zijn vader niet beloven dus ging
Boeddha op pad. Op een dag ging hij zitten onder een boom tot de waarheid
naar hem toe kwam. Het was een moeilijke tijd maar het licht kwam en
hij vond de waarheid. De waarheid van:
* het geheim van het leven
*de oorzaak van het lijden en de genezing
Zo is het mediteren en het boeddhisme ontstaan. Aan het boeddhisme hebben
1000den mensen wat toegevoegd en weg gelaten.
We ging na een lang maar boeiend verhaal naar beneden. We moesten onze
schoenen uit doen.
In de eerste ruimte word gegeten en er worden lezingen gehouden, heel
soms is er hier ook een feest. De zaal is precies 7.70m bij 7.70 meter
volgens te boeddhistische regels. Er staan veel beeldjes in deze zaal.
Alle beeldjes staan ergens voor een belangrijk legende of een belangrijk
persoon. Het zijn geen goden, want het boeddhisme heeft geen goden. Het
is wel een religie.
Een religie is eigenlijk = wat gescheiden is tot een eenheid
maken. En hoe je dat ook doet of je dat nu met het christendom of jodendom
of
boeddhisme doet dat maakt niet uit, het komt allemaal op hetzelfde neer.
Het is allemaal een manier op het licht te zoeken om achter de werkelijkheid
te komen. Bij een religie (zoals het Boeddhisme) moet je zélf
dingen ontdekken (het woord zegt het al: het dek eraf halen/kijken wat
eronder zit.
Er staat ook een beeld van een legende die wel heel leuk is. Het is
geen hij of een zij. Maar de persoon viel altijd in slaap met mediteren
na een tijdje toen sneed hij zijn oogleden af een smeed ze weg. Op de
plek waar de oogleden lagen begon een plant te groeien. Hij vond het
toen zonde om de blaadjes weg te gooien en besloot ze maar in het water
te warmen. Hij schonk het in een glas en dronk het op, hij vond het erg
lekker. Het was een thee plant. Binnen het boeddhistische geloof is thee
erg belangrijk.
Daarom komen we in de volgende kamer in de thee ruimte. Het is een soort
keukentje met allerlei middelen om thee te kunnen zetten. Daar kan thee
worden gezet voor bijvoorbeeld thee ceremonies.
De derde ruimte is de meditatie ruimte
Langs de muren stonden een soort tafel met daarboven op allemaal kussens
met een kaars erboven. De kaarsen zijn gewoon weg voor het licht. Je
zou zeggen gebruik dan elektriciteit maar dat heeft invloed op je karma
en dat is dan weer eigenlijk erg slecht. In het midden ligt ook een kussen
daar zit de leraar op om dingen te vertellen en om op je te letten of
je wel goed zit. Als je verkeert zit is hij degene die je goed recht
zet. Hij heeft het boek met de spreuken voor zich of de liederen. Ze
zitten met hun gezicht naar de muur toe.
Aan de kamer zit een apart hokje voor de laatkomers ze kunnen daar gaan
zitten zodat ze de rest niet storen. Ook op de gang zit je met je gezicht
naar de muur. Die kunnen dan weer tussenvoegen als ze een lopende meditatie
hebben.
De Vrouw in het Boeddhisme
Symposium “De Vrouw in de Wereldgodsdiensten” Leuven,
oktober 1994
Er valt niet aan te ontsnappen.
Wanneer men leeft als vrouw, in de 20ste eeuw, in de westerse samenleving
kan men de vraag proberen ontwijken, enige tijd…
Maar op een bepaald ogenblik, lijkt ontwijken op vaandelvlucht.
Men kan dan verwijzen naar het Malunkyaputto-sutta, de leerrede aangaande
de ‘nutteloze vragen’.
Dat kan zinvol zijn voor insiders.
Voor anderen is het een kluitje in het riet. En tenslotte behoren vrouwen
toch ook tot de lijdende wezens in deze samsara wereld?
Dan toch maar de knoop doorhakken: proberen te situeren, ‘de plaats’ van ‘de
vrouw’ in ‘het boeddhisme’…
Wanneer men de vraag stelt of de vrouw miskend en gediscrimineerd
is geworden in de traditie van het Boeddhisme, dan is het antwoord “ja”.
Wanneer men de vraag stelt of de vrouw ook uitgesloten is geworden uit
erediensten, religieuze praktijken en functies, dan is het antwoord eveneens
bevestigend.
Wanneer u de vraag stelt of de vrouw ooit uitgesloten werd uit het verwezenlijken
van het heil - het verwezenlijken van verlichting - dan is het antwoord
nogmaals bevestigend.
Aangezien het Boeddhisme een leer is die de ‘illusie’ als
onheilzaam bestempelt, moeten we, ook wat deze vraagstelling betreft,
zo snel mogelijk met alle illusies afrekenen.
Maar wanneer men ook nog de vraag stelt of de oorzaak voor deze discriminatie
in de Leer zelf terug te vinden is, dan is het antwoord absoluut negatief.
In de teksten staat - met een hardnekkigheid eigen aan de stijl
van een orale traditie - dat de Leer verkondigd is voor alle wezens,
mannen én
vrouwen, monniken én nonnen, leken, armen en rijken…
De enige reden waarom een mens de verlichting niet zou verwezenlijken
is “dat hij gehinderd wordt door de zwaarte van onjuiste opvattingen
en diepwortelende passies. Het is zoals de zon die gesluierd door wolken,
geen stralen kan uitzenden zolang de wind de wolken niet verdreven heeft” (Mui
Neng: Sutra over de Juwelen van de Leer, 29).
Maar hoezeer Gautama Buddha in zijn Leer ook de nadruk heeft gelegd
op niet-onderscheid, op niet-tweeheid - noch tussen monniken en leken,
noch tussen armen en rijken, noch tussen mannen en vrouwen - het zou
toch maar een illusie te meer zijn te denken dat een religieuze boodschap
in staat zou zijn de aarde met al de wezens die haar bewonen ingrijpend
te veranderen, in de zin van het ideaal beeld dat geschetst wordt.
In de praktijk lijkt het er eerder op dat niet-religieuze figuren,
eerder zelfs figuren die zich tegen een religieuze beweging kanten,
méér
invloed uitoefenen, waarschijnlijk vanuit een meer sociaal, werelds-gericht
standpunt. Maar daarover verder meer.
De mens is een religieus wezen, kàn een religieus wezen
zijn, maar hij is ook een maatschappelijk-sociaal wezen, een element
in een
samenleving. Op religieus niveau kan men het individuele in die mate
overstijgen, dat rang, stand of geslacht van het individu onbelangrijk
worden.
In de maatschappelijke wereld echter, waar het erop aan komt onderdak
en broodwinning te verwerven, het voortbestaan veilig te stellen in de
vorming van gezinnen, het baren van kinderen, opvoeding en verzorging
te verschaffen, daar valt het moeilijker het geslacht van een individu
te negeren, al was het maar vanuit biologisch- fysisch standpunt.
Meestal is het zó dat de culturele context van een samenleving
aan het individu gedragspatronen oplegt, die niet noodzakelijkerwijze
in overeenstemming zijn met de religieuze doelstellingen. Religie en
cultuur maken deel uit van elkaar, zijn op een bijzondere - maar meestal
zéér ingewikkelde wijze - met elkaar vergroeid. Maar de
eenheid van religie en cultuur moeten we waarschijnlijk naar de gouden
tijd van de mythe verwijzen.
Hoewel én mystiek én sociale organisatie aan dezelfde
religieuze bron ontstaan, lijken er zich heel snel groepen te vormen
die door het benadrukken van het ene of andere aspect snel uit elkaar
groeien.
Wanneer we het historische verloop van grote religieuze stromingen bekijken,
kunnen we vaststellen dat het zelden de spirituele normen zijn die de
wetten van samenleving uitmaken. De druk, uitgeoefend door sociale en
economische elementen van een cultuur, halen praktisch altijd de bovenhand.
Mystiek en contemplatie hebben de neiging zich achter kloostermuren terug
te trekken.
Het Boeddhisme bij zijn ontstaan in India, bij zijn evolutie in China
en later in Japan en Tibet, heeft dergelijke verschillende culturele
vormgevingen aangenomen dat men toch herhaaldelijk de boeddhistische
kern gaat zoeken om zich ervan te vergewissen dat het nog altijd over
Boeddhisme gaat.
De Indische samenleving in de 6de eeuw vóór onze
tijdrekening verschilde niet veel van de meeste traditionele samenlevingen
wat betreft
de situatie van de vrouw: de vrouw als eigendom van ouders, echtgenoot,
broers of zonen, de vrouw als echtgenote en moeder van zonen.
Laten we veronderstellen - en er zijn voldoende aanwijzingen dat we
dat ook mogen doen - dat de gemeenschap rond de figuur van de historische
Boeddha Gautama Shakyamuni een ideale - of een zo ideaal mogelijke -
boeddhistische samenleving was, mede onder invloed van het tastbare charisma
van deze religieuze leider.
Deze sangha, deze gemeenschap van mannen en vrouwen keerde zich
onder de leiding van Gautama Buddha af van een op-dat-ogenblik verworden
Brahmanisme.
In deze sangha was de vrouw ‘volledig’ aanwezig: leek of
non, gehuwd, weduwe, moeder of kinderloos. Ze behoort tot de welstellende
stand die de Boeddha geregeld uitnodigt voor het eten, voor een verblijf
in de tuin met uiteenzetting over de Leer; ze ontvangt de Leer en verspreidt
mede de Leer. Wanneer de Boeddha spreekt over zijn beste leerlingen,
zijn daar zowel mannen als vrouwen onder (b.v. Anguttara Nikaya I,24).
Trevor Ling, godsdiensthistoricus, beschrijft deze sangha als
een groep mensen die zich eveneens tegen de toenmalige maatschappelijke
ontwikkeling
afzetten: de overgang van semi-nomadisme naar het sedentaire leven, de
plotse ongeremde aangroei van de stedelijke bevolking, en daarmee samengaand
het opkomende individualisme van een welvarende samenleving waarin de
traditionele waarden van een stammengemeenschap verloren waren gegaan.
Tegenover de toestand van onbehagen (dukkha) voortgekomen uit de ontreddering
van een samenleving, stelde de Boeddha als oplossing de anatta-gedachte:
het loslaten van het zelf, - wat men in profane termen ‘een tot
het uiterste relativeren van het individuele ik’ zou kunnen noemen.
Dit betekent niet alleen het verzaken van materiële bezittingen,
maar ook het loslaten van een wereldvisie of levensvisie waarin ‘ik’ centraal
staat, en het loslaten van alle betrachtingen en verlangens in functie
van het individuele ‘ik’.
Teksten uit die ‘eerste’ periode bevestigen dat in de ‘nieuwe
samenleving’ geen discriminatie bestond, noch in theorie noch in
praktijk. Het sterk uitgesproken standenverschil dat later zou bevestigd
worden in het Indische kastenstelsel, was niet van kracht in deze gemeenschap.
Maar zoals alles is ook de sangha aan verandering onderworpen.
De oorspronkelijke boeddhistische gemeenschap bleef niet klein en het
charisma van de Boeddha
verzwakte met het verdwijnen van zijn fysieke aanwezigheid. Zonder al
te veel verbeelding weet men toch dat een ‘elitaire groep’ niet
totaal onberoerd kan blijven voor het omringende culturele klimaat. Menselijke
wezens die in een religieuze wereld leven, leven ook in een wereld van
sociale verhoudingen. Wanneer het religieuze ideaal het loslaten van
alle ik-berekeningen voorstelt, dan betekent het nog niet dat de volgelingen
dat ook in praktijk brengen.
De eerste sporen van discriminatie (en dat niet alleen aan het
adres van de vrouw!) vindt men rond de tijd dat er zich in het Boeddhisme
een
belangrijke splitsing in verschillende stromingen voordoet: de groep
van de thera’s (monniken) gaat zich verwijderen van de Mahasanghika,
de ‘Grote Gemeenschap’ van leken en muni’s (‘wijzen’).
De gemeenschap van mensen die alle bezittingen, alle verschil in stand
of geslacht hebben laten varen, gaat zich settelen, en in de kloosters
verschijnt het patroon van de omringende, door mannen gedomineerde wereld.
De monniken bezitten van nu af aan het monopoly van de Leer die een doctrine
wordt, en zelfs van het heil. Het bestaand patroon van de vroegere religieuze
organisatie heeft opnieuw de kop opgestoken.
Het maakt niet uit dat in Kalama-sutta (Anguttara Nikaya III,65)
gesteld wordt dat men niets moet aannemen op het gezag van anderen,
van leraars,
van teksten of tradities, dat men enkel uit eigen ervaring kan weten
wat heilzaam of onheilzaam is. Van nu af aan zijn er ‘gezagsdragers’ die
dat weten en er tevens over beslissen.
De Mahasanghika-beweging daarentegen bestond hoofdzakelijk uit
leken, mannen én vrouwen, vaders én moeders die de werkelijkheid
van de existentie op een andere, misschien meer aardse manier hadden
ervaren. Dat er in die Mahasanghika een andere sfeer bleef bestaan is
terug te vinden in de teksten van de Mahayana-scholen, waar de monniken
niet alleen gerelativeerd en bekritiseerd worden, maar soms zelfs heel
belachelijk in de verf gezet.
In het Vimalakirtinirdesa-sutra vindt u het verhaal van de arme
Sariputra - één van de vijf belangrijkste leerlingen van de Boeddha
- die zo een afkeer heeft van het vrouwelijke - als belemmering voor
het bereiken van verlichting - dat hij vanwege een godin een lesje krijgt:
ze verandert hem prompt in een vrouwelijke figuur en zijzelf neemt het
uiterlijk van Sariputra aan. Hij begrijpt wél de les onmiddellijk
en ziet in dat het geslacht van een individu niet van tel is in het verwezenlijken
van verlichting. Of hij nadien veranderd is in zijn opvatting over de
vrouw of in zijn houding tegenover de vrouw, vermeldt de tekst niet…
Alle mooie beginselen en grappige verhaaltjes ten spijt: de discriminatie
van de vrouw is een blijvend verschijnsel geweest in de geschiedenis
van het Boeddhisme.
En hoe onwaarschijnlijk dit ook mag klinken voor hen die vertrouwd zijn
met de Leer, deze discriminatie is zelfs gefundeerd met bewijzen vanuit
de leerstellingen zelf!
Een paar voorbeelden daarvan.
Een eerste bewijsvoering refereert naar het concept ‘karma’: “een
individu is getekend door zijn karma, waaraan niet te ontkomen is. Als
men het karma heeft vrouw te zijn, valt niet te ontsnappen aan de gevolgen
daarvan: verlichting als vrouw is uitgesloten.”
Karma is een pre-boeddhistisch concept: de interpretatie ervan gaf aanleiding
tot verschillende stromingen in de Vedische religie. De Boeddha heeft
afstand genomen van de Vedische visie op karma en alle scholen ervan
bekritiseerd (determinisme, fatalisme, kans- geluk-toeval). Karma heeft
voor de Boeddha de functie om de samsarische wereld, de lijdenswereld,
te beschrijven: het patroon daarvan is de pratitya samutpada, het ontstaan
in afhankelijkheid. Hij waarschuwt voor het zich teveel bezighouden met
karma: het is een onontwarbaar kluwen, waarvan men de samenhang niet
kan reconstrueren, tenzij men het inzicht van de verlichting verwezenlijkt.
Karma kan dus enkel van dienst zijn in het beschrijven van de toestand
hier-en-nu van een individu, en van de weg die hij heeft te gaan op het
pad van de verlichting. Maar karma is nooit een verklaring, een verantwoording,
een retributief concept, geladen met vergelding van goed en kwaad.
Hier zien we een verschijnsel optreden dat alle kenmerken vertoont
van wat de socioloog Ryan (in Blaming the Victim, 1971) het ‘victim
blaming paradigma’ heeft genoemd: de problemen van de verdrukten
zijn inherent aan de slachtoffers en niet aan hen die de verdrukking
in stand houden. Wanneer de vrouw op een bepaald ogenblik in het Boeddhisme
uitgesloten wordt van het vermogen de verlichting te verwezenlijken,
dan is de oorzaak daarvan te zoeken in haar individueel karma. Diegenen
die deze verordening hebben bedacht treft geen schuld.
Maar het feit dat discriminatie in een instituut bestaat, betekent nog
niet dat ze aanwezig is in de Leer.
een introductie in het Tibetaans boeddhisme
Veertien kernonderwerpen uit
het Tibetaans boeddhisme.
De geest en zijn potentieel
Leren mediteren
Een overzicht van het pad naar de verlichting
Het belang en de rol van spirituele leraren
Sterven en wedergeboorte
Karma, de wet van oorzaak en gevolg
Toevlucht zoeken en vinden in de boeddhistische leer
Het opbouwen van een dagelijkse beoefening
Samsara & nirvana: het gebrekkige bestaan en de bevrijding ervan
Hoe ontwikkel je liefdevolle vriendelijkheid en mededogen voor iedereen?
Problemen transformeren
Wat is wijsheid?
Een introductie in tantra, het snelle pad
Retraites & beoefeningen
1. De geest en zijn potentieel
In het Tibetaans boeddhisme leren we dat de geest een allesbepalende
factor is in het leven. Onze geest bepaalt bijvoorbeeld of we een gebeurtenis
als geluk of als lijden ervaren. Daarom is het bijzonder belangrijk
om te weten wat 'geest' eigenlijk is en hoe hij functioneert.
En wat is
het verschil tussen de geest en de hersenen? In deze module wordt ingegaan
op de kenmerken van de geest, de verschillende factoren die de geest
beïnvloeden en het effect daarvan op ons welzijn.
2. Leren mediteren
Meditatie is een techniek waarmee we zelf onze geest kunnen beïnvloeden,
waarmee we belangrijke inzichten tot stand kunnen brengen en verankeren,
waarmee we heilzame neigingen van onze geest (verder) kunnen ontwikkelen
en schadelijke neigingen kunnen verminderen en uitbannen. In deze
module komen aan bod: de juiste meditatiehouding, concentratiemeditatie,
analytische
meditatie, obstakels herkennen bij het mediteren en deze omzeilen
door het toepassen van tegenkrachten.
3. Een overzicht van het pad naar de verlichting
Ongeveer 560 voor Christus werd de historische Boeddha Sakyamoeni geboren
als Prins Siddharta in een klein koninkrijk in Noord-India. Als Indiase
prins had hij een zeer comfortabel, rijk en zorgeloos leven. In de wereld
buiten zijn paleis werd hij echter geconfronteerd met ziekte, ouderdom
en dood. Dat was voor hem aanleiding om zijn koninklijk bestaan vaarwel
te zeggen en op zoek te gaan naar de verlichting, de bescherming tegen
het lijden. Zijn inzichten en ervaringen gaf hij door aan zijn leerlingen,
zodat zij net als hij de verlichting zouden kunnen bereiken. Tot op de
dag van vandaag is de weg die de Boeddha bewandelde in een ononderbroken
overleveringslijn doorgegeven, waardoor het ook voor ons mogelijk is
het boeddhaschap te bereiken. Wat moeten we ervoor doen om net als Prins
Siddharta de verlichting te bereiken en boeddha te worden? Het overzicht
van het boeddhistische pad naar de verlichting wordt in het Tibetaans
LAM RIM genoemd.
4. Het belang en de rol van spirituele leraren
Een spiritueel pad volgen zonder spiritueel leraar is als een reis maken
zonder gids. Wil je zonder al te veel dwalen op de juiste bestemming
aankomen, dan heb je een goede gids nodig. Maar hoe vind je een betrouwbare
en bekwame gids? Aan welke kwalificaties moet een spiritueel leraar voldoen?
En aan welke zijn leerlingen?
5. Sterven en wedergeboorte
In het Tibetaans boeddhisme is veel bekend over het proces van sterven
en wedergeboorte. Deze module is geschikt voor iedereen die graag meer
wil weten over hoe hij of zij beter voorbereid kan zijn op de dood van
familieleden en vrienden en op de eigen dood, iedereen die zich afvraagt
hoe terminaal zieken en stervenden het best kunnen worden begeleid, of
die houvast zoekt in de moeilijke tijden van afscheid nemen.
6. Karma, de wet van oorzaak en gevolg
Volgens het boeddhisme creëren we met iedere gedachte, ieder
woord en iedere daad oorzaken voor toekomstige ervaringen. De wet
van oorzaak
en gevolg, 'karma' genoemd, bepaalt welke oorzaken zullen uitmonden
in persoonlijke gelukservaringen en welke in persoonlijk lijden.
Gelukkig kunnen we nog steeds invloed uitoefenen op de potentieel
negatieve
gevolgen
van activiteiten die we al hebben verricht? Onderzoek in deze module
hoe de wet van oorzaak en gevolg in elkaar steekt.
7. Toevlucht zoeken en vinden in de boeddhistische leer
De Boeddha, de Dharma (de boeddhistische leer) en de Sangha (de spirituele
gemeenschap van beoefenaars) worden in het Tibetaans boeddhisme ook wel
de drie juwelen genoemd. Ze worden vergeleken met een dokter, een medicijn
en verpleegkundigen, omdat ze ons veel lijden kunnen besparen. Door toevlucht
te nemen in de drie juwelen geven boeddhisten hun leven een veilige richting,
zo wordt gezegd. Waarom zouden we toevlucht nemen en wat houdt het in?
Welke rol spelen geloften in spirituele groei?
8. Het opbouwen van een dagelijkse beoefening
Om hun geest (verder) te ontwikkelen nemen veel boeddhisten dagelijks
de tijd voor het doen van beoefeningen: mediteren, neerbuigen, gebeden
reciteren, mantra's zingen, offergaven aanbieden, e.d. In deze module
wordt niet alleen verteld wat de achtergrond is van de verschillende
beoefeningen, maar wordt ook een altaar ingericht en worden gezamenlijk
beoefeningen gedaan. Ontdek dat het ontwikkelen van geestkracht niet
alleen plaatsvindt op of rond een meditatiekussen.
9.
Samsara & nirvana: het gebrekkige bestaan en
de bevrijding ervan
Het liefst zouden we alleen maar gelukkig zijn, maar geluk is niet altijd
makkelijk te bereiken. En als we geluk ervaren dan duurt het vaak maar
kort. Dagelijks worden we geconfronteerd met ongemakken en vervelende
ervaringen die wij, of de mensen in onze omgeving, moeten ondergaan.
Pas als we ons echt bewust worden van de onplezierige kanten van ons
bestaan, zullen we gemotiveerd raken om er iets aan te veranderen. We
zullen op zoek gaan naar de oorzaken ervan en methoden willen toepassen
om onszelf ervan te bevrijden. Om daarvoor het nodige doorzettingsvermogen
en enthousiasme te kweken, moeten we waardering krijgen voor het eindresultaat:
de totale bevrijding, een staat waarin het lijden definitief is opgeheven
en het geluk blijvend en intens is?
10. Hoe ontwikkel je liefdevolle vriendelijkheid en mededogen voor iedereen?
Als we goed om ons heen kijken, zien we dat alle mensen in hetzelfde
schuitje zitten. Allemaal willen we graag gelukkig zijn en allemaal zitten
we vast in een bestaan waarin we diverse vormen van lijden moeten ondervinden:
van apparaten die het plotseling niet meer doen tot oorlog, ernstige
ziekten en het verlies van dierbaren. Dit besef kan ertoe leiden dat
we het liefst iedereen zouden willen helpen blijvend geluk te ervaren,
zoals een boeddha dat kan. In het boeddhisme wordt dit de verlichtingsgeest
genoemd: het verlangen om de verlichting te bereiken voor het welzijn
van alle levende wezens. Op basis hiervan kunnen we ook gelijkmoedigheid,
liefde en mededogen opbrengen voor anderen.
11. Problemen transformeren
De problemen die we in het dagelijks leven ontmoeten, beschouwen we doorgaans
als een groot obstakel voor het geluk dat we willen ervaren, bij voorkeur
continu. We kunnen zelfs het idee hebben dat we ons spiritueel niet genoeg
kunnen ontwikkelen, omdat we steeds maar weer ziek worden, ons depressief
voelen, enzovoort. Het boeddhisme biedt methoden om al die problemen
te veranderen in factoren die onze spirituele groei juist bevorderen.
Deze methoden worden gedachtetraining genoemd. Hoe we onze gedachten
kunnen trainen en onze emoties de baas kunnen worden, leren we in deze
module.
12. Wat is wijsheid?
De Boeddha onderwees talloze methoden waarmee we kunnen voorkomen dat
er voortdurend verstorende emoties opkomen in onze geest, zoals woede
en gehechtheid. Op een subtiel niveau kunnen de verstorende emoties echter
nog wel in onze geest achterblijven. Om zelfs de meest subtiele indruk
ervan met wortel en tak uit onze geest te verwijderen hebben we een sterke
tegenkracht nodig: wijsheid. Wijsheid is het inzicht dat geen enkel verschijnsel
op zichzelf bestaat, de afwezigheid van inherent bestaan. Zonder wijsheid
kunnen we geen bevrijding en verlichting bereiken.
13. Een introductie in tantra, het snelle pad
Het boeddhisme biedt - naast het bestuderen van teksten (soetra's) en
het mediteren daarop - ook een andere, snellere, methode om de verlichting
te bereiken: tantra. Deze methode kan alleen worden gedaan met hulp van
een spiritueel leraar, omdat een snelle ontwikkeling van de geest niet
zonder risico's is. Vergelijk het met het besturen van een straaljager.
Dat vereist ook een goede begeleiding en nauwkeurige instructies. In
deze module wordt uitgelegd waarom tantra zo'n krachtige manier van beoefenen
is en wat er voor nodig is om met tantra te kunnen beginnen. Ook wordt
een voorproefje gegeven van tantrische transformatie.
"
We remain trapped within a circle of dissatisfaction because our view
of reality is narrow and suffocating... As long as our opinion of ourselves
is so miserable, our life will remain meaningless. Tantra challenges
this unreasonably low opinion of human potential by showing us how to
view ourselves and all others as transcendentally beautiful." -
Lama Thubten Yeshe
14.
Retraites & beoefeningen
Door het doen van een langere LAM RIM-retraite (minimaal twee
weken) en intensieve beoefeningen voor het zuiveren van negatief
karma bereiden
we onze geest goed voor op het verwerven van realisaties op het pad
naar de verlichting. Zuiveringsbeoefeningen zijn onder meer: 100.000
neerbuigingen, een Vajrasattva-retraite van drie maanden en Nyung
Nä-retraites.
Een geweldige manier om alle kennis en ervaringen die zijn opgedaan
tijdens 'Ontdek het Boeddhisme' te bezegelen.
Homepage Sangha Reiki

 
|