Het edele achtvoudige pad


De Vierde Edele Waarheid is, zoals iedereen nu al wel weet, het eigenlijke programma voor de verwezenlijking van de Verlichting, het einde van de fundamentele onwetendheid welke het ik-denken is. De kern van Bodhipat: de verlichting door inzet, wijsheid en verbondenheid met de genade.

Vaak denkt men dat op het Pad van het Reine Land dit Achtvoudige Pad overbodig is, vermits de Verlichting, Nirvana, Geboorte in het Reine Land ‘geschonken wordt’ door Amida’s Grote Mededogen dat zich formuleert in de Gelofte-Kracht en in de nembutsu geverbaliseerd wordt.

Toch vervult de Vierde Edele Waarheid ook in het Shinboeddhisme de taak die Gautama Buddha erin vervat heeft. Bedoeling van deze bijdrage is rol en functie van het Achtvoudige Pad volgens Shin-perspectief te belichten. (1)

Het Edele Achtvoudige Pad is een algemeen principe dat gevolgd kan worden in elke effectieve menselijke activiteit. Wanneer we een boek lezen en ons weten verrijken, naar muziek luisteren en ervan genieten, op vakantie gaan en kunnen relaxen, dan is dat omdat we de ‘juiste ideeën’ hebben om die dingen te doen. Moesten we die ideeën niet hebben, we zouden nauwelijks in staat zijn ervan te genieten en er de vruchten van te plukken.

Wanneer we vreugde beleven aan al wat we ondernamen, dan valt het patroon van onze activiteit onbewust of bewust binnen het patroon van het Edele Achtvoudige Pad.

Als we het leven als een geheel beschouwen en erin beginnen te zoeken naar zin en waarde, dan zou de meest doeltreffende manier ertoe zijn het Achtvoudige Pad te volgen. Een boeddhist zal bewust trachten het patroon van het Achtvoudige Pad in zijn bestaan toe te passen, zodat hij, door het verkrijgen van een “juiste idee” over het leven, hij aan zijn bestaan een grotere vreugde en rijkere vervulling kan geven

Het pad bestaat uit drie groepen die elkaar ondersteunen. De ene groep kan niet zonder de andere. Het is als bij een pot op drie poten: als je één poot weghaalt, valt de pot om. Op die manier bestaat ook het Achtvoudige Pad uit drie hoofddelen welke de voorwaarden zijn om het hele pad te ontwikkelen, namelijk:

    A. DE GROEP VAN WIJSHEID (Paññakhandha)

    1) Juist begrip (samma ditthi), dat is:

    Begrijpen wat lijden is (dukkhe ñana).

    De oorzaak van lijden begrijpen (dukkhasamudaye ñana).

    De opheffing van lijden begrijpen (dukkhanirodhe ñana).

    Het pad begrijpen dat leidt naar de opheffing van lijden (dukkhanirodhagamini patipadaya ñana).

    2) Juiste gedachten/intenties (samma sankappa), dat is:

    Gedachten van het verzaken van zelfzucht (nekkhamma sankappa).

    Gedachten van welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid (avyapada sankappa).

    Gedachten van geweldloosheid, harmonie of mededogen (avihimsa sankappa).

    (De tegenstellingen van juiste gedachten zijn:)

    Gedachten van zintuiglijke verlangens. (kama sankappa).

    Gedachten van kwade wil. (vyapada sankappa).

    Gedachten van gewelddadigheid, kwelzucht. (vihimsa sankappa).


    B. DE GROEP VAN MORALITEIT (Silakkhandha)

    3) Juiste spraak (samma vaca), dat is:

    Onthouding van het vertellen van leugens (musavada veramani).

    Onthouding van het spreken van lasterende taal (pisunaya vacaya veramani).

    Onthouding van het spreken van harde woorden (pharusaya vacaya veramani).

    Onthouding van onzinnig gepraat (samphappalapa veramani).

    4) Juist handelen (samma kammanta), dat is:

    Onthouding van doden (panatipata veramani).

    Onthouding van nemen wat niet gegeven is (adinnadana veramani).

    Onthouding van seksueel wangedrag (kamesu micchacara veramani).

    5) Juiste wijze van levensonderhoud (samma ajiva) , dat is:

    Geen handel in wapens (met destructief gevolg).

    Geen handel in slaven en prostitutie.

    Geen handel in levende wezens voor vleesproductie en slachterij of iedere andere handel in wezens.

    Geen handel in vergif.

    Geen handel in bedwelmende middelen.

    Door het opgeven van de verkeerde wijze van levensonderhoud, voorziet iemand zich in de juiste wijze van levensonderhoud (miccha ajivam pahaya samma ajivena jivitam kapetti).

    De morele gedragsregels in een meer uitgewerkte versie kunnen we samenvatten in sabbapapassa akaranam: Het vermijden van alle kwaad. De essentie van de religie van de Boeddha wordt in dit vers weergegeven. Wat samengaat met de drie immorele wortels: hebzucht (lobha), haat (dosa) en begoocheling (moha), is kwaad. Wat samengaat met de drie morele wortels: mildheid, vrijgevigheid, verzaking (alobha), goodwill, liefdevolle vriendelijkheid of geweldloosheid (adosa) en wijsheid (amoha), is goed.

    Als iemand zijn onzuiverheden opzij heeft gezet en de wereld verlaten heeft noemen we dit: pabbajito. Dit hoeft  niet per sé een monnik of een non te zijn; het is iemand die zich niet meer conformeert aan de gekte van de wereld. In brede zin is dat iemand die de wereld verzaakt heeft.

    Als iemand zijn hartstochten overwonnen heeft, een asceet, een echte monnik noemen we dit: samano.

    Geduld is de hoogste ascese. Als iemand geduldig het  lijden dat door anderen toegebracht wordt verdraagt en iemands verkeerde daden verdraagt noemen we dit: khanti paramam tapo Een Bodhisatta beoefent geduld in zulk een omvang, dat hij niet boos wordt, zelfs al worden zijn handen en voeten afgekapt. In de Khantivadi Jataka J313, blijkt dat de Bodhisatta niet alleen opgewekt de martelingen verdraagt die door een dronken koning werden toegebracht die genadeloos beval dat zijn handen, voeten, neus en oren moesten worden afgehouwen, maar deze verwondingen zelfs beantwoordde met een zegening. Toen hij daar op de grond lag, in een plas van zijn eigen bloed en met verminkte lichaamsdelen, zei de Bodhisatta:

    "Lang leve de koning,

    wiens wrede hand mijn lichaam zo heeft verminkt.

    Zuivere wezens zoals ik,

    kijken nooit met boosaardigheid op zulke daden neer."

    Van zijn verdraagzaamheid wordt gezegd, dat wanneer hij gekweld werd, hij aan de kwaadwillige dacht: "Deze persoon is een medemens van mij. Bewust of onbewust, moet ikzelf de bron van boosaardigheid zijn geweest, of het kan vanwege slecht kamma uit het verleden zijn geweest. Als het 't gevolg is van mijn eigen daden, waarom zou ik er dan kwade gedachten op na houden?"

    Het mag opgemerkt worden dat een Bodhisatta door niemand in beroering wordt gebracht en ook niet door iemands schaamteloze gedrag. Toen hij zijn discipelen aanmaande om verdraagzaamheid te beoefenen, zei de Boeddha (in de Kakacupama Sutta M021): "Ofschoon dieven, die mensen van de hoofdweg zijn, je ledematen met een zaag met twee handvaten zouden afzagen en je daardoor je geest bezoedelt, dan ben je geen volgeling van mijn Leer. Aldus moeten jullie jezelf trainen: 'Onze harten zullen onbevlekt blijven. Geen enkel kwaad woord zal aan onze lippen ontsnappen. Vriendelijk en met een mededogend hart, zullen wij leven zonder boosaardigheid te koesteren en zelfs deze bandieten zullen wij omringen met gedachten vol van liefdevolle vriendelijkheid. En van hen uit zullen wij doorgaan, wij zullen leven door heel de wereld te overstralen met gedachten vol van liefdevolle vriendelijkheid; uitbreiden, onbegrensd, geweldloos en harmonieus.'" Door zijn training in verdraagzaamheid, probeert de Bodhisatta in plaats van de lelijkheid in anderen te zien, het goede en het schone in iedereen te ontdekken.

    khanti: Geduld; verdraagzaamheid; tolerantie. Dit is een buitengewone kwaliteit die in de boeddhistische lectuur hoog geprezen wordt. Het kan alleen maar ontwikkeld worden wanneer rusteloosheid en haat al in de geest tot bedaren zijn gebracht zoals dat gedaan wordt bij de meditatiebeoefening. Ongeduld, hetgeen de tendens heeft iemand erg gejaagd te maken zodat hij vele goede kansen in het leven mist, is een gevolg van het onvermogen om passief te zijn of stil te zijn en dingen uit zichzelf op te laten lossen, hetgeen soms spontaan gebeurt zonder de bemoeienis van het ik.

    Bij de geduldige mens vallen vele vruchten zomaar in de schoot, terwijl de ongeduldige en hebberige mens deze steeds mist. Een van die vruchten is de stille geest, want ongeduld doet de geest opwoelen en brengt daarmee de bekende angstziekten van de moderne wereld met zich mee. Geduld verdraagt dingen rustig -- het is deze kwaliteit die het zo waardevol maakt in de mentale training en in het bijzonder in meditatie. Het is niet goed om na vijf minuten oefenen directe verlichting te verwachten. Het roeren in een kop koffie met melk kan dan wel onmiddellijk een zichtbaar resultaat geven, maar met meditatie is dat niet zo. Je zult er alleen maar door gekweld worden als je het probeert op te jagen. Voor lange tijd hebben onreinheden zich opgestapeld tot een enorme stapel mentale weerstand. Wanneer iemand dan met een zeer dun theelepeltje begint om het vuil te verwijderen, kan men dan wel verwachten dat de onreinheden dan snel verdwenen zullen zijn? Het antwoord is geduld en er moet een vastbesloten inspanning voor aangewend worden. De geduldige mediterende mens ontvangt werkelijk resultaat van blijvende waarde, maar de najager van 'vlugge methodes' of 'plotselinge verlichting' is door zijn eigen houding gedoemd tot lange teleurstelling.

    Het zal voor iedereen die de Dhamma onderzoekt weldra duidelijk zijn, dat deze leerstellingen niet voor een ongeduldig persoon zijn. Een boeddhist bekijkt zijn huidige leven als een kleine tijdseenheid, misschien van zo'n tachtig jaar of zo, en dat laatste leven is er een uit een reeks van vele. Dit in zijn geest ingeprent, besluit hij in dit leven zoveel mogelijk te doen voor de verwerving van zijn verlichting, maar hij overschat niet zijn capaciteiten en gaat gewoon kalm en geduldig door met in de Dhamma te leven. Een stormloop naar verlichting (of wat iemand dan ook denkt wat dat is) is niet de weg om iemand naar het hoge doel te brengen; dat is alleen maar voor iemand met een zeer ontvankelijk karakter, iemand die zulk een behandeling kan aannemen, en het meest belangrijke is nog, dat hij zich toegewijd heeft aan een zeer kundige meditatiemeester.

    Met geduld zal iemand zichzelf niet kneuzen maar voorzichtig stap voor stap het pad opgaan. Wij leren dat de Bodhisatta hiervan goed gewaar was en dat hij zijn geest met deze perfectie (paramita) ontwikkeld had zodat zijn geest niet verstoord werd door de verdorven verschijningen die in deze wereld gewoon zijn. Hij besloot dat hij geduldig zou zijn in het verdragen van uitwendige omstandigheden -- zich niet van zijn stuk zou laten brengen wanneer de zon te heet was of het weer te koud; zich niet laat verontrusten door andere wezens, zoals bijvoorbeeld insecten die een aanval pleegden op zijn lichaam. Noch zou hij verstoord raken wanneer mensen lelijke woorden tot hem spraken, over hem logen of hem beschimpten, of dat nu in zijn gezicht was of achter zijn rug. Zijn geduld bleef zelfs onaangetast toen zijn lichaam een onderwerp van marteling werd, van slaag, stokken en stenen, van folteringen en zelfs de dood zou hij kalm verdragen; zo onwrikbaar was zijn geduld. De Boeddha werd niet voor niets 'Prachtig Mens' (Acchariya Manussa) genoemd. Aan boeddhistische monniken wordt geadviseerd om zich in dezelfde verdraagzaamheid te oefenen.


    C. DE GROEP VAN CONCENTRATIE (Samadhikkhandha)

    6) Juiste inspanning (samma vayama), dat is:

    Slechte gedachten en heilloze (akusala) zaken die nog niet opgekomen zijn vermijden (samvara padhana).

    Het overwinnen van slechte gedachten en heilloze zaken die reeds opgekomen zijn (pahana padhana).

    Het opwekken en ontwikkelen van heilzame (kusala) zaken en goede gedachten die nog niet opgekomen zijn (bhavana padhana).

    Het in stand houden van heilzame zaken en goede gedachten die reeds opgekomen zijn (anurakkana padhana).

    7) Juiste indachtigheid (samma sati), dat is:

    Indachtigheid van het lichaam (kaya nupassana).

    Indachtigheid van gevoelens (vedana nupassana).

    Indachtigheid van de geest (citta nupassana).

    Indachtigheid van mentale objecten (dhamma nupassana) namelijk:

    De vijf hindernissen (pañca nivarana).

    De vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha).

    De zes innerlijke en zes uiterlijke zintuigsferen (salayatana).

    De zeven factoren van verlichting (bojjhanga).

    De vier edele waarheden (cattari ariya sacca).

    8) Juiste concentratie (samma samadhi), dat is: 1e Meditatieve verdieping (pathamajjhana). 2e Meditatieve verdieping (dutiyajjhana). 3e Meditatieve verdieping (tatiyajjhana). 4e Meditatieve verdieping (catutthajjhana).

    Voor nadere toelichting raadpleeg de links. Voor juiste concentratie, zie ook samadhi. Raadpleeg indien gewenst de overige Pali-termen voor een definitie van de overige factoren van het pad in het Boeddhistisch Woordenboek

    Satipatthana

    Fundamenten van indachtigheid

    Letterlijk: 'gewaarzijn van indachtigheid' (sati upatthana). De vier fundamenten van indachtigheid (of achtzaamheid,  opmerkzaamheid) zijn:

    1) contemplatie van het lichaam (kaya nupassana);

    2) contemplatie van gevoelens (vedana nupassana);

    3) contemplatie van de toestanden van gedachten (citta nupassana);

    4) contemplatie van objecten voor de geest (dhamma nupassana).

    Een gedetailleerde verhandeling omtrent dit onderwerp dat zo belangrijk is voor de beoefening van de boeddhistische geestelijke ontwikkeling, wordt gegeven in de 2 Satipatthana Sutta's (D22 en M010), die zowel in het begin als aan het einde deze belangrijke woorden verkondigen: "Dit is de enige weg (ekayana), monniken, voor de zuivering van wezens, voor het overwinnen van verdriet en weeklagen, voor de vernietiging van lijden en smart, voor het bereiken van het juiste pad, voor de verwezenlijking van Nibbana, namelijk, de Vier Fundamenten van Indachtigheid."

    Na deze inleidende woorden, en op de vraag welke 4 fundamenten het hier betreft, wordt er gezegd dat door de monnik; 1) de indachtigheid van het lichaam wordt beoefend (kaya nupassana); 2) de indachtigheid van de gevoelens wordt beoefend (vedana nupassana); 3) indachtigheid van de geest wordt beoefend (citta nupassana) en; 4) indachtigheid van de objecten van de geest wordt beoefend (dhamma nupassana). "Hij doet dat ijverig (atapi), met helder begrip (sampajano) en indachtig (satima), terwijl hij de hebzucht (abhijjha) en smart (domanassa) in deze wereld (loke) (van het lichaam, de gevoelens, gedachten en objecten van de geest) opgeeft."

    Deze 4 contemplaties moeten in de praktijk niet gezien worden als louter los van elkaar staande oefeningen, maar in tegenstelling hiervan, althans in vele gevallen en in het bijzonder in de meditatieve verdiepingen (jhana), als dingen die onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn. Daarbij vormt de Satipatthana Sutta een illustratie van een manier op welke deze 4 contemplaties met betrekking tot de 5 groepen van het bestaan (pañca khandha, geleidelijk aan gerealiseerd worden en uiteindelijk leiden naar het inzicht in de onpersoonlijkheid van iedere bestaansvorm.

    1. De indachtigheid van het lichaam (kaya nupassana)

    De indachtigheid van het lichaam bestaat uit de volgende oefeningen: opmerkzaamheid van de in- en uitademing (anapana sati); opmerkzaamheid van de 4 lichaamshoudingen (iriyapatha); opmerkzaamheid en helderheid van bewustzijn (satisampajañña); bespiegeling van de 32 delen van het lichaam (kayagatasati en asubha); analyse van de 4 fysieke elementen (dhatuvavatthana); en de meditaties van de begraafplaats (sivathika).

    2. De indachtigheid van gevoelens (vedana nupassana)

    Alle gevoelens die in de meditator opkomen dienen duidelijk gezien te worden voor wat ze zijn, zonder aan wat voor een gevoel dan ook vast te klampen. Hij herkent aangename gevoelens, onaangename gevoelens, beiden, van het lichaam en van de geest; hij herkent een neutraal gevoel; hij herkent een gewoon werelds aangenaam of onaangenaam gevoel of een spiritueel gevoel, aangenaam of onaangenaam. Er wordt alleen maar gekeken naar wat er is, en niets meer, waardoor alle gevoelens op den duur goed begrepen worden voor wat ze zijn. Uiteindelijk realiseert men zich dat het slechts -- net zoals alle andere dingen -- opkomende en verdwijnende verschijnselen zijn.

    3. De indachtigheid van de geest (citta nupassana)

    Verder ziet en begrijpt men elke staat van de geest, of die hebzuchtig (lobha) is of niet hebzuchtig, met haat (dosa) of zonder haat, in onwetendheid (moha) verkeert of niet in onwetendheid verkeert, hij herkent de vernauwde geest (sankhitta) als de vernauwde geest, hij herkent de afgeleide geest (vikkhitta) als de afgeleide geest, ontwikkeld (mahaggata) of niet ontwikkeld (amahaggata of kamavacara), overtrefbaar (sauttara) of de onovertrefbare geest (anuttara), de geconcentreerde (samahita) of de niet geconcentreerde geest (asmahita), de bevrijde geest (vimutta) of de niet bevrijde geest (avimutta).

    4. De indachtigheid van mentale objecten (dhamma nupassana) zie ook de uitwerking verderop

    In dit deel van de satipatthana meditatie worden 5 objecten van de Dhamma onder de loep genomen.

    Hindernissen : Hij weet of de vijf hindernissen (nivarana) in hem aanwezig of afwezig zijn; hij begrijpt hoe ze opkomen en hij begrijpt hoe ze te overwinnen zijn indien ze opgekomen zijn. Ook weet hij hoe ze in de toekomst niet meer opkomen. Elk van de vijf hindernissen wordt in deze oefening aanschouwd.

    Groepen van hechten: Hij kent de aard van de vijf groepen van hechten (pa±ca upadana kkhandha) oftewel de vijf groepen van het bestaan. Hij weet hoe ze opkomen en hoe ze weer verdwijnen en hij ziet ze als zijnde ledig, instabiel en zonder werkelijkheidswaarde.

    Zintuigbases : Hij kent de 12 bases van elke mentale activiteit (ayatana): het oog en een beeld, het oor en een geluid, de neus en een geur, de tong en een smaak, het lichaam en tastbare dingen, de geest en mentale objecten. Hij begrijpt de banden (sa±±ojana) die afhankelijk van de innerlijke zintuigbases (oog, oor, etc.) en de uiterlijke zintuigbases (beeld, geluid, etc.) ontstaan;  hij begrijpt hoe een band tot stand komt en hij begrijpt hoe die overwonnen wordt en dan in de toekomst niet meer tot stand komt.

    Factoren van verlichting: Hij weet wanneer een factor van verlichting (bojjhanga) aanwezig is of wanneer die afwezig is; hij weet hoe hij de factoren moet ontwikkelen als ze niet aanwezig zijn en wanneer ze wel aanwezig zijn, dan weet hij hoe deze verder ontwikkeld moeten worden.

    Vier edele waarheden: Verder begrijpt hij elk van de vier edele waarheden (cattari ariya sacca). "Hierin, monniken, begrijpt een monnik overeenkomstig met de realiteit: 1) 'Dit is lijden' (dukkha); en hij begrijpt overeenkomstig met de realiteit: 2) 'Dit is de oorzaak van lijden'  (samudaya); en hij begrijpt overeenkomstig met de realiteit: 3) 'Dit is de opheffing van lijden'   (nirodha); en hij begrijpt overeenkomstig met de realiteit: 4) 'Dit is het pad dat leidt tot  opheffing van lijden' (magga)."

    verdere uitwerking van DHAMMA NUPASSANA BHAVANA: Mediteren op de vijf onderwerpen van de Dhamma.

    Dhamma nupassana is het vierde onderdeel van de satipatthana training. Dhamma nupassana betekent het observeren van dingen zoals gedachten omtrent de Dhamma (cetasika dhamma): de hindernissen zoals kamacchanda, vyapada, etc. (nivarana), de aggregaten zoals rupa, vedana, etc. (khandha), de zintuigbases zoals oog, oor, etc. (ayatanadhamma), de factoren van verlichting zoals sati, dhamma vicaya, etc. (bojjhangadhamma), en de Vier Edele Waarheden (Cattari Ariya Sacca). Deze meditatie kan beschouwd worden als de moeilijkste in de satipatthana meditatie series. Hierna volgen de onderdelen in detail. 'Pariggaha' betekent 'het in delen bespiegelen'.

    1. DE HINDERNISSEN (nivarana pariggaha): de groep van de hindernissen. Er zijn vijf hindernissen die het pad naar Nibbana blokkeren. Het zijn: 1) zinnelijk verlangen (kamacchanda); 2) kwade wil (vyapada); 3) luiheid (thina middha); 4) rusteloosheid en zorgelijkheid (uddhacca kukkucca); 5) sceptische twijfel (vicikiccha).

    a. kamacchanda: zintuiglijke verlangens ontstaan door objecten als bevredigend zijnde te beschouwen. Men dient naar kamacchanda op de volgende vijf manieren te kijken:

    als een zintuiglijk verlangen (kamacchanda) opkomt in de geest, de aanwezigheid ervan gewaar zijn;

    als er geen zintuiglijk verlangen in de geest is, de afwezigheid ervan gewaar zijn;

    de manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen dat tot nu toe nog niet in de geest is opgekomen, tot stand zal komen;

    de manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen dat is opgekomen in de geest, zal ophouden te bestaan;

    de manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen, dat niet meer in iemands geest bestaat, niet meer tot stand zal komen.

    b. vyapada: kwade wil bezoedelt de geest en blokkeert de weg naar Nibbana. Men dient naar vyapada op de volgende vijf manieren te kijken:

    als er kwade wil (vyapada) in de geest opkomt, de aanwezigheid ervan gewaar zijn;

    als er geen kwade wil in de geest is, de afwezigheid ervan gewaar zijn;

    de manier gewaar zijn waarop kwade wil die tot nu toe nog niet in de geest is opgekomen, tot stand zal komen;

    de manier gewaar zijn waarop kwade wil die is opgekomen in de geest, zal ophouden te bestaan;

    de manier gewaar zijn waarop kwade wil die is opgehouden te bestaan in iemands geest, niet meer tot stand zal komen.

    c. thina middha: luiheid en traagheid met betrekking tot zowel de geest als het lichaam. Thina middha moet bespiegeld worden op dezelfde vijf manieren die eerder bij kamacchanda en vyapada gegeven zijn.

    d. uddhacca kukkucca: rusteloosheid en overbezorgdheid die in de geest ontstaat. Deze mentale agitatie is een blokkade voor kalmte, en een hindernis op het pad naar Nibbana. Ook deze hindernis moet op de vijf manieren bespiegeld worden die al eerder zijn genoemd.

    e. vicikiccha: twijfel die verschijnt omtrent de volgende acht aspecten van de Leer, namelijk:

    twijfel omtrent de Boeddha;

    twijfel omtrent de Dhamma;

    twijfel omtrent de Sangha;

    twijfel omtrent de regels/training (sikkha);

    twijfel omtrent iemands vorige leven;

    twijfel omtrent iemands volgende leven;

    twijfel omtrent iemands vorige Ún volgende levens;

    twijfel omtrent de Leer van het afhankelijke ontstaan (paticcasamuppada).

    Ook deze twijfels moeten bespiegeld worden op de vijf manieren die al eerder zijn   genoemd. De bespiegeling van elke van deze vijf hindernissen (nivarana) in delen, wordt nivarana pariggaha genoemd.

    Tip Voor meer informatie over de vijf hindernissen, zie paññca nivarana

     

Deze drie divisies omvatten samen de acht factoren van het pad, en door elke factor van het pad die gecultiveerd wordt, wordt de ontwikkeling van de andere factoren ondersteund.

 

Het Juiste Inzicht betekent niets anders dan de ‘juiste ideeën’ over leven en bestaan te hebben. Om onze visie, die onvermijdelijk een onscherp beeld van de

(1) nog van de implicaties resulterend uit de 19de en 20ste Gelofte van Amida-Dharmakara, die inpassen in de ‘evolutie’ van het heilsverloop.

natuurlijke gang van zaken geeft, juist af te stellen, leert het boeddhisme ons hoe we onze verkeerde inzichten kunnen corrigeren en in overeenstemming brengen met de ware werkelijkheid der dingen.

Het is voor ons noodzakelijk een Juist Inzicht te verkrijgen in twee feitelijkheden:

  • ten eerste de Vier Edele Waarheden als verwerkelijking van de zin van het leven,
  • ten tweede, de Vier Kenmerken van het bestaan als erkenning van de feitelijke situatie van de wereld waarin wij leven.

Die vier kenmerken zijn de volgende:

  • a. de veranderlijkheid: niets in ons bestaan blijft. Alles is in voortdurende verandering: dromen worden verwezenlijkt, verwachtingen worden verpletterd, mensen sterven, bergen eroderen tot vlaktes, bloemen ontluiken, de seizoenen vliegen voorbij. Die onbestendigheid van het leven heeft voor ons twee implicaties:
  • (1) Veranderlijkheid in de vorm van plotse tragedies, tegenslagen, mislukkingen, ziektes, fatale gebeurtenissen die onze innerlijke of uiterlijke wereld tot een lijdenswereld maken, maar die tevens ons de mogelijkheid bieden tot zelf-reflectie; vanuit deze zelf-reflectie kunnen we de werkelijke waardes van het leven definiëren en op zoek gaan naar tijdloze waarheden die niet veranderen volgens de immer verschuivende omstandigheden van de lijdenswereld.
  • (2) Diezelfde veranderlijkheid maakt dat wij het vermogen hebben op onze wereld in te werken volgens onze gedachten en handelingen. Dit betekent dat niets in de bestaanssituaties ‘vast’ is; ze kunnen veranderen volgens de wil en de inspanningen van elk individu. Rijkdom en aanzien in de maatschappij zijn broos en vergankelijk, de mogelijkheid tot veranderen kan wie het ernstig meent, motiveren om boven zijn ‘werelds’ lot uit te stijgen.

b. alle dingen zijn zonder blijvende substantie: de wereld rondom ons en de omstandigheden van het menselijke bestaan zijn onderhevig aan verandering - ontstaan en vernietiging, geboorte en dood, verschijnen en verdwijnen - precies doordat er niets is dan in termen van vorm, entiteit, ego of ziel permanent is. Geloven in de bestendigheid van enig bestaande, zichzelf of de wereld, is aanleiding tot opvattingen en daden die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Het ontbreken van elke vorm van permanente substantie wordt in het boeddhisme de leer van ‘niet-zelf’ of van ‘leegheid’ genoemd. In dit perspectief wordt de ideale handeling een handeling in harmonie met niet-zelf, niet-ego, niet-gehechtheid.

c. al het bestaande is door lijden getekend: het is immers zo dat diegene die zijn bestaan leidt in tegenstrijd met (a) veranderlijkheid en (b) niet-zelf, onvermijdelijk de gevolgen van zijn foutief inzicht op de realiteit moet ondergaan: lijden (duhkha) is zijn onvermijdelijk lot en hij ondergaat het, zowel onder de vorm van lichamelijke pijn voortkomend uit ziektes of verwondingen, emotionele verstoringen als verdriet, frustratie enz., en ook als existentiële angst waarbij de waarde en de betekenis van het leven in vraag gesteld worden. maar juist deze invraagstelling kan aanleiding geven tot het zoeken van een weg die ons de mogelijkheid biedt de uiteindelijke verlichting te verwezenlijken.

d. nirvana is de volkomen vrede: nirvana kan beschouwd worden als de toestand tegengesteld aan duhkha. Nirvana is het volmaakte besef van (a) veranderlijkheid en (b) zelfloosheid. Nirvana is de totale harmonie met de natuurlijke werkelijkheid van het leven.

De Juiste Gezindheid is de instelling die we verwerven bij het besef dat de Leer van de Boeddha het Juiste Inzicht inhoudt. Door samengaan met de Juiste Inspanning, zullen onze gedachten en gevoelens steeds gericht zijn op een dieperwordend vatten van het Juiste Inzicht, ontstaat in ons gemoed een gerichtheid in de zin van de Verlichting en een steeds groter wordende ontvankelijkheid voor de werkzaamheid van Amida’s Grote Mededogen.

Het Juiste Woordgebruik is de verbale uiting van onze ingesteldheid resulterend uit de Juiste Gezindheid zoals de Juiste Handelswijze er de uiting van is ten opzichte van onze mede-wezens. Beide zijn kenmerkend voor onze innerlijke houding (citta = gemoed, attitude, oriëntatie) zowel als voor ons gedrag als maatschappelijk wezen.

Het Juiste Levensonderhoud is eveneens een factor in onze maatschappelijke houding. De menselijke activiteit wordt beheerst door woorden, daden en gedachten, maar het is ook van belang dat in de relatie tot de andere wezens wij ons niet begeven in bezigheden of werkzaamheden die schadelijk zijn voor anderen, meer nog: we zouden ons bewust moeten begeven in activiteiten die weldadig zijn voor de anderen en die bijdragen tot het materiële, maar vooral spirituele welzijn van de anderen. Het Juiste Levensonderhoud is hier een factor van psycho-fysisch maar ook psycho-sociaal evenwicht.

De Juiste Inspanning is de wilsactiviteit die staat achter alle andere leden van het Achtvoudige Pad. Volharding, geduld, moed zijn hiervoor vereist, en men dient zich niet te verwachten aan snelle resultaten. De Juiste inspanning gericht op de verwezenlijking van het Juiste Inzicht is een thema dat in alle vormen van boeddhisme sterk aan bod komt.

De Juiste Achtzaamheid is de noodzakelijke aanvulling van de Juiste Inspanning: immers, inspanning alleen is niet voldoende om effectief te zijn. Er moet een blijvend besef van gerichtheid op het doel aanwezig zijn. De Juiste Achtzaamheid is dit besef en leidt tot continu onderzoek van het licht waarin de ‘dingen van het bestaan’ komen te staan wanneer men ze afweegt in functie van het doel. Een niet juist geordende inspanning is niet alleen nutteloos, maar kan ook nadelig, ja zelfs schadelijk zijn.

De Juiste Geestesconcentratie: hier zullen geleidelijk de goede resultaten van het volgen van het Edele Achtvoudige Pad gemanifesteerd worden; hier verschijnen ze ons in de eensgerichtheid van de geest. Hier ligt het middelpunt van de gemoedsrust zoals die enkel kan herkend worden in geestesconcentratie. Maar waarop is die eensgerichtheid van de geest dan gericht? Heel eenvoudig: op het Juiste inzicht, - en een nieuwe cyclus begint, een opnieuw volgen van het Edele Achtvoudige Pad; en telkens die cyclus herhaald wordt, is er een progressief groeien van de spiritualiteit.

ALLES OP EEN RIJTJE

  • 1 juist begrip (pali: samma ditthi)
    Begrijpen wat lijden is (dukkhe ñana).
    De oorzaak van lijden begrijpen (dukkhasamudaye ñana).
    De opheffing van lijden begrijpen (dukkhanirodhe ñana).
    Het pad begrijpen dat leidt naar de opheffing van lijden (dukkhanirodhagamini patipadaya ñana).
  • 2 juiste gedachten / juiste intenties (pali: samma sankappa)
    Gedachten van het verzaken van zelfzucht (nekkhamma sankappa).
    Gedachten van welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid (avyapada sankappa).
    Gedachten van geweldloosheid, harmonie of mededogen (avihimsa sankappa).
    (Deze eerste twee waarheden vormen samen de groep van wijsheid. Pali: paññakkhandha)
  • 3 juist spreken (pali: samma vaca).
    Onthouding van het vertellen van leugens (musavada veramani).
    Onthouding van het spreken van lasterende taal (pisunaya vacaya veramani).
    Onthouding van het spreken van harde woorden (pharusaya vacaya veramani).
    Onthouding van onzinnig gepraat (samphappalapa veramani).
  • 4 juist handelen (pali: samma kammanta)
    Onthouding van doden (panatipata veramani).
    Onthouding van nemen wat niet gegeven is (adinnadana veramani).
    Onthouding van seksueel wangedrag (kamesu micchacara veramani)
  • 5 juiste wijze van levensonderhoud (pali: samma ajiva)
    Geen handel in wapens.
    Geen handel in slaven en prostitutie.
    Geen handel in levende wezens voor vleesproductie en slachterij of iedere andere handel in wezens.
    Geen handel in vergif.
    Geen handel in bedwelmende middelen.
    (De waarheden drie, vier en vijf vormen samen de groep van moraliteit. Pali: Silakkhandha)
  • 6 juiste inspanning (pali: samma vayama)
    Slechte gedachten en heilloze (akusala) zaken die nog niet opgekomen zijn vermijden (samvara padhana).
    Het overwinnen van slechte gedachten en heilloze zaken die reeds opgekomen zijn (pahana padhana).

Het opwekken en ontwikkelen van heilzame (kusala) zaken en goede gedachten die nog niet opgekomen zijn (bhavana padhana).
Het tot groei brengen van heilzame zaken en goede gedachten die reeds opgekomen zijn (anurakkana padhana).

  • 7 juiste indachtigheid (pali: samma sati)
    Indachtigheid van het lichaam (kaya nupassana).
    Indachtigheid van gevoelens (vedana nupassana).
    Indachtigheid van de geest (citta nupassana).
    Indachtigheid van mentale objecten (dhamma nupassana) namelijk:
    De vijf hindernissen (pañca nivarana).
    De vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha).
    De zes innerlijke en zes uiterlijke zintuigsferen (salayatana).
    De zeven factoren van verlichting (bojjhanga).
    De vier edele waarheden (cattari ariya sacca).
  • 8 juiste concentratie (pali: samma samadhi)
    1e Meditatieve verdieping (pathamajjhana).
    2e Meditatieve verdieping (dutiyajjhana).
    3e Meditatieve verdieping (tatiyajjhana).
    4e Meditatieve verdieping (catutthajjhana).

 

Iedere factor van het Achtvoudige Pad kan niet in één keer tot in de volledigheid beoefend worden, omdat de ene factor van het pad de andere aanvult, stabieler en dieper maakt. Wanneer er een factor ontwikkeld is, geeft die de aanleiding om een andere factor te ontwikkelen, maar zonder de ontwikkeling van de ene factor, zal en kan er geen sprake zijn van de ontwikkeling van de andere. Zo is dat ook met de drie groepen of divisies van het pad. Het is een proces dat geleidelijk groeit door steeds het gehele pad te blijven cultiveren. Zoals de ribbels op een strand steeds sterker worden door elke golf, zo wordt door oefening iedere factor van het pad steeds sterker waardoor het pad op den duur volledig ontwikkeld is. Een korte beschrijving over hoe de training verloopt:

Begrip geeft aanleiding tot deugdzaamheid

Als kardinaal startpunt dient iemand te begrijpen dat handelingen gevolgen hebben. Slechte, immorele handelingen, dragen bittere vruchten en zijn dus nadelig; goede, morele handelingen, dragen zoete vruchten, voordelig dus. Om een beslissing te maken zich te trainen in het pad naar bevrijding, is deze kennis een eerste vereiste. Welke gedachten/intenties iemand er op na houdt, hangt af van zijn begrip: is iemand bevangen door hebzucht, haat en kwelzucht, dan is er geen plaats voor juist begrip en zal deze persoon zich niet inzetten om een moreel leven te leiden. Wanneer het eigenbelang de prioriteit krijgt boven moraliteit, is het vanzelfsprekend dat anderen hierdoor benadeeld worden en daar schade van ondervinden. In hebzucht is geen aanleiding te vinden tot deugdzaamheid, moraliteit. Een hebzuchtig iemand zal in extreme gevallen, 'door dik en door dun gaan' om zich in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze persoon wordt snel boos wanneer iets niet verkregen wordt wat hij begeerde en hij is meedogenloos ten opzichte van anderen. Is er daarentegen afwezigheid van hebzucht, een intense verzaking van zelfzucht, dan is er een ruimer begrip ten aanzien van alles wat er is en leeft. Dit is het begrip waarin vriendelijkheid en mededogen huizen en wat de voorwaarde is voor ware moraliteit. Begrip is het kardinale startpunt voor de beoefening en de ruggegraat van de boeddhistische Leer.

Juiste gedachten en juist begrip vullen elkaar daarom aan en vormen samen de groep van wijsheid. In het eerste stadium van wijsheid zal iemand een deugdzamer leven gaan leiden, de tweede groep van het Achtvoudige Pad. Dit is 'het eerste licht van wijsheid', de aanleiding die nodig is om het pad te bewandelen en te cultiveren. Zo'n begrip zorgt uiteraard tevens voor een verdraagzamere en meer harmonieuze samenleving.

Deugdzaamheid geeft aanleiding tot mentale training

Wanneer iemand uit eigen ervaring weet dat een deugdzaam leven zegenrijk is en veel geluk en  voordeel brengt, zal een serieuze training in een deugdzaam leven aanvangen. Dit deugdzame leven helpt iemand om de geest constant te richten op een goed object waardoor de concentratie van een betere kwaliteit wordt. (Voor verkeerde handelingen is namelijk óók concentratie nodig, maar deze is van een slechte kwaliteit.) Deugdzaamheid kan gezien worden als de werkvloer van een geest die zich in de goede richting ontwikkelt. Het is zoals een boer die zijn land bewerkt voor het verkrijgen van een goede oogst.

Langzaam maar zeker ontstaat er een steeds dieper begrip dat deugdzaamheid niet voort kan komen uit een bezoedelde en verwarde geest, maar dat het een vereiste is om helderheid van geest te hebben. Pas als de ondergrond goed voorbereid is, kan men winst boeken in de training van concentratie, de derde groep van het Achtvoudige Pad. Door de training in concentratie is de geest minder snel afgeleid en komt hij meer tot heelheid (wasdom) zodat de aandacht beter bij een object gehouden kan worden.

Concentratie leidt tot wijsheid en wijsheid leidt tot bevrijding

Doordat de aandacht beter bij een object gehouden kan worden, komt er een dieper inzicht in de ware aard van dingen. Hoewel de eerste groep van wijsheid in het begin de functie had om iemand tot training aan te zetten, krijgt zij nu een veel diepere betekenis: de drie karakters van het bestaan (ti lakkhana) worden nu duidelijker gezien en begrepen, daardoor ook de vier edele waarheden (cattari ariya sacca) en de vijf aggregaten van hechten (pañca upadana khandha). Deze ware wijsheid (samma pañña) is uiteindelijk de bevrijdende factor omdat hierin de dingen worden gezien zoals zij werkelijk zijn. Een vaak geciteerde uitspraak van de Boeddha luidt als volgt:

"Door hartstochtloosheid is hij onthecht, door onthechting is hij bevrijd; in bevrijding ontstaat het besef dat hij bevrijd is, en hij begrijpt: 'Vernietigd is geboorte, het leven is geleefd in zuiverheid (het heilige leven), er is gedaan wat gedaan moest worden, er is niets meer van dit dat nog komt."

De woorden: 'er is niets meer van dit dat nog komt', verwijzen naar de vijf groepen van hechten. Het betekent dat er geen wedergeboorte meer is, dat de klus geklaard is.

2. DE AGGREGATEN (khandha pariggaha): de groep van de aggregaten. Een wezen bestaat uit vijf aggregaten van hechten. Deze groep aggregaten houdt het leven (het rad van geboorte en dood) in stand. Zij bestaat uit:

het aggregaat van hechten aan vorm (rupa upadana kkhandha);

het aggregaat van hechten aan sensaties of gewaarwordingen (vedana upadana kkhandha);

het aggregaat van hechten aan waarnemingen (sa±±a upadana kkhandha);

het aggregaat van hechten aan mentale formaties (sankhara upadana kkhandha);

het aggregaat van hechten aan bewustzijn (vi±±ana upadana kkhandha).

Men dient vorm (rupa) op de volgende manier te bespiegelen: "Vorm heeft een wereldse aard. Op deze manier is vorm in het bewustzijn gekomen. Vorm zal ook op deze manier weer verdwijnen." Dezelfde procedure dient men ook te volgen bij de bespiegeling van de andere aggregaten van hechten: gewaarwordingen of gevoelens (vedana), waarnemingen (sa±±a), mentale formaties (of mentale factoren) (sankhara), en bewustzijn (vi±±ana). Het doel van deze meditatie is om bevrijd te raken van iedere gehechtheid aangaande deze aggregaten, door hun vergankelijke natuur te beseffen, oftewel hun leegheid in te zien in het licht van de drie karakters (ti lakkhana) van het bestaan: vergankelijkheid, onbevredigende aard en instabiliteit of onwezenlijk karakter.

3. DE ZINTUIGSFEREN (ayatana pariggaha): ayatana betekent zintuigbasis. Er zijn er twaalf in getal, en zij zijn in twee groepen ingedeeld -- inwendige en uitwendige.

De zes inwendige zintuigbases (adhyatma ayatana) zijn:

de basis van het oog (chakkayatana);

de basis van het oor (sotayatana);

de basis van de neus (ghanayatana);

de basis van de tong (jivhayatana);

de basis van het lichaam (kayayatana);

de basis van de geest (manayatana).

De zes uitwendige zintuigbases (bahir ayatana) zijn:

de basis van vorm (rupayatana);

de basis van geluid (saddayatana);

de basis van reuk (gandhayatana);

de basis van smaak (rasayatana);

de basis van tastbare objecten (potthabbayatana);

de basis van mentale objecten (dhammayatana).

Men moet elke zintuigbasis op de volgende vijf manieren bespiegelen:

weten wat die zintuigbasis is;

weten hoe de zintuigbasis opgekomen is;

weten hoe de zintuigbasis die tot nu toe nog niet is opgekomen, tot stand komt;

weten hoe de zintuigbasis die opgekomen is, ophoudt te bestaan;

weten hoe de zintuigbasis die opgehouden heeft te bestaan, niet meer opkomt.

Als men deze meditatie eenmaal goed beoefent door op deze manier naar zichzelf te kijken, kan men de meditatie ook tot anderen uitbreiden.

4. DE FACTOREN VAN VERLICHTING (bojjhanga pariggaha): bojjhanga, of factoren van verlichting, hebben betrekking op de condities die een persoon in zijn streven naar verlichting dient te volgen. Het zijn er zeven: 1) indachtigheid (sati sambojjhanga), 2) onderzoek naar waarheid (dhamma vicaya sambojjhanga), 3) energie (viriya sambojjhanga), 4) vreugde (piti sambojjhanga), 5) kalmte (passaddhi sambojjhanga), 6) concentratie (samadhi sambojjhanga), 7) gelijkmoedigheid (upekkha sambojjhanga).

Deze zeven condities, beginnende met sati, zijn fases die geleidelijk aan in iemand groeien die naar verlichting streeft. Ze worden in de satipatthana methode beschouwd als zijnde essentieel om iedere dag te cultiveren en te ontwikkelen, aangezien ze de weg naar het laatste doel vergemakkelijken. Zelfs gedeeltelijke ontwikkeling hiervan brengt harmonie in het dagelijkse leven en langzamerhand zal men zich minder verward voelen en minder in beslag worden genomen door de wisselvalligheden van een eeuwig veranderende en bedrieglijke wereld. Deze zeven kwaliteiten zijn bij elkaar gegroepeerd als 'verlichtingsfactoren' omdat zij naar verlichting voeren en zij samen de verlichting vormen. De factoren zijn onderling met elkaar verbonden. Het is daarom moeilijk om ze apart te beschrijven.

sati: Een persoon die naar verlichting streeft is waakzaam ten opzichte van al zijn gedachten en alle activiteiten van het lichaam. Zulk een waakzaamheid wordt hier sati genoemd. Indachtigheid is het essentiÙle startpunt voor elke poging tot meditatie.

dhamma vicaya: Met zulk een waakzaamheid kan hij goed en verkeerd onderscheiden, en hij  onderzoekt dat met wijsheid. Zulk een kritisch onderzoek noemt men dhamma vicaya. Deze factor van verlichting, die verbonden is met wijsheid, ontwikkelt zich in een persoon die naar verlichting streeft.

viriya: De inspanning van zulk een persoon om het goede (dhamma) te cultiveren en het slechte (adhamma) te laten, wordt hier viriya genoemd. Energie moet met grote vastberadenheid gericht worden op het uitwerken en vervullen van het doel. De viriya sambojjhanga ontwikkelt zich in een persoon die aldus streeft.

piti: De vreugde die in iemands geest ontstaat door het doen en het ontwikkelen van het goede (dhamma) wordt piti sambojjhanga genoemd. Vreugde betekent sereen vermaak, met gelukzalig enthousiasme van de geest.

passaddhi: Door vermijding van zintuiglijke begeerten ontwikkelen vreugde en geluk zich. De kalmte die daardoor in de geest en in het lichaam ontstaat wordt passaddhi genoemd. Aldus ontwikkelt de passaddhi sambojjhanga zich in een persoon die deze procedure volgt.

samadhi: Gebaseerd op deze kalmte kan de geest zich concentreren op een goed (kusala) object. Deze toestand van de geest wordt samadhi sambojjhanga genoemd.

upekkha: Met de ontwikkeling van concentratie realiseert men zich de nutteloosheid van   sensaties en ontwikkelt men een gevoel van gelijkmoedigheid (upekkha), waarin men noch door geluk noch door verdriet getroffen wordt. Dit wordt upekkha sambojjhanga genoemd. Gelijkmoedigheid is de laatste essentiÙle factor van verlichting. Hierdoor is men niet alleen kalm, maar staat de geest, hoewel nog steeds ontvankelijk en alert, los van iedere gebeurtenis of     invloed van buiten of van binnen uit.

Bij de beoefening van deze meditatie dient men elk van deze factoren van verlichting op de  volgende vier manieren te bespiegelen:

de aanwezigheid van een factor van verlichting (bojjhanga) op te merken, wanneer deze in hem aanwezig is;

de afwezigheid van een factor van verlichting op te merken, wanneer deze afwezig is;

weten hoe een factor van verlichting ontwikkeld kan worden wanneer deze niet in hem  aanwezig is;

weten hoe een factor van verlichting die in hem aanwezig is, verder ontwikkeld kan worden.

Door de zeven factoren van verlichting op deze manier te bespiegelen, is het mogelijk ze verder te ontwikkelen, hetgeen iemand helpt om Nibbana vast en zeker te verwezenlijken.

 

Wat is de verwantschap tussen het Edele Achtvoudige Pad en de Zes Paramita’s?

Het Edele Achtvoudige Pad is uiteindelijk de persoonlijke praktijk van het boeddhisme, gericht op de verwerkelijking van het Juiste Inzicht. Het Achtvoudige Pad is als het ware de vertaling naar binnen van de Leer. Deze persoonlijke benadering wordt, bij contact met andere wezens, evenwel verwoord in de Zes Paramita’s. Men zou aldus kunnen voorhouden dat de Zes Paramita’s de maatschappelijke praktijk zijn, een vertaling naar buiten van de Leer. Maar deze uitdrukking dient met voorbehoud omkleed te worden, want op het ultieme niveau zowel van het Edele Achtvoudige Pad als van de Zes Paramita’s, kan er geen sprake meer zijn van ‘naar binnen’ of ‘naar buiten’.

1. Dana: Vrijgevigheid, vriendelijkheid, openheid. Hoe dichter we het Juiste Inzicht benaderen, des te krachtiger wordt dana, het spontaan zichzelf schenken aan anderen, zonder onderscheid, doordat we voortdurend een krachtiger besef hebben van de eenheid van alle leven. Traditioneel werd dat uitgedrukt in de ‘Drie Zuiverheden: 1) de zuiverheid van de gever: de gever is vrij van zelfzuchtige beweeggronden; het schenken houdt op bij het einde van de handeling en men is niet langer betrokken bij hetgeen men gegeven heeft, men verwacht ook geen dank of dankbaarheid; 2) de zuiverheid van de gave: er is geen gehechtheid meer aan hetgeen men geschonken heeft, of dit nu materieel of onstoffelijk is; 3) de zuiverheid van de ontvanger van de gave: de gever ziet geen ontvanger; er is geen onderscheid meer, de gever is de gave geworden.

2. Sila: Zelfdiscipline, meester worden over zijn handelingen, niet door onderdrukken, maar door morele volwassenheid; de moraliteit wordt spontaan, natuurlijk. Doel van sila is niet de moraliteit op zichzelf, maar het zich richten op mededogen. Hoe kan men anderen helpen als men met zichzelf geen blijf weet?

3. Kshanti: Geduld, aanvaarding, volharding. Dana en Sila kunnen niet ogenblikkelijk verkregen worden, maar eisen geduld en volharding. Geduld is de sleutel voor het verwezenlijken van het doel. In het boeddhisme wordt geduld, vastberadenheid, volharding beklemtoond omdat de tijdloze waarde van een handeling bepaald wordt door de lengte en de diepte van het geduld dat men in die handeling legt.

4. Virya: Energie. Geduld en energie gaan hand in hand. De kracht opbrengen naar het doel te streven, eventueel de strijd aan te gaan. Trouwens: niets wordt verkregen zonder strijd, noch de wijsheid noch de verlichting.

5. Dhyana: Meditatie, bewustheid, reflectie. Zich bewust worden van het Juiste Inzicht en de betrekking ervan tot het dagelijkse leven. Door de meditatie wordt de boeddhist in staat gesteld in zijn innerlijke diepte vrede te scheppen. Maar meditatie is veel meer dan zomaar in meditatiehouding gaan zitten. De ware meditatie is de meditatie van elk gedachte-moment, gericht op elk gedachte-object.

6. Prajña: Wijsheid, het Juiste Inzicht dat tot zijn volkomenheid geraakt is. Door de wijsheid worden de dingen gezien zoals ze in hun werkelijkheid zijn: in hun leegheid, in hun wederzijdse afhankelijkheid, in hun interpenetratie. Prajña omgezet in handeling is Dana. Hiermee is de cyclus van de Zes Paramita’s vervolledigd. De Wijsheid van de Boeddha omgezet in handeling is Mededogen. Prajña en Dana zijn één: Prajña is de Volkomenheid van Wijsheid en Dana is het Grote Mededogen. Samen vormen zij de Volkomenheid van het Boeddhaschap.

Het Edele Achtvoudige Pad en de Zes Paramita’s behouden hun volle betekenis in alle boeddhistische stromingen, want ze hebben de functie de mens op te wekken tot het besef dat hij moet zoeken en streven, zij het ook met vallen en opstaan. Enkel op die wijze kan hij hier en nu vrede van het gemoed vinden, en buiten ruimte en tijd, de vreugde en de vrede van het nirvana.

Homepage Sangha Reiki

 

Het " Sangha - Dharma - Reiki " centrum dankt voor je bezoek.