mededogen

Mededogen of compassie is een kwaliteit die in levensbeschouwelijke visies bezongen wordt als de ware roeping van iedere mens; sommigen zien het als de 'menselijke bestemming'. In de hulpverlening is het lange tijd taboe geweest om termen te gebruiken die tevens een religieuze connotatie hebben; therapie moest 'waardevrij' zijn, wat vaak samenviel met 'a-religieus '. Gelijkaardige kwaliteiten worden nochtans beschreven in vrijwel alle therapietheorieën, maar er worden minder zachte termen voor gebruikt. De grondhouding waarvan empirisch onderzoek steeds opnieuw aantoont dat ze onontbeerlijk is in elke hulpverleningssituatie wordt in die context 'empathie' genoemd. Diverse beroepscodes groeperen meerdere gedragsregels waarbij men het gezichtspunt of het belang van de cliënt zoveel mogelijk voorop stelt onder het principe 'respect'. In de context van ethisch handelen kan de term 'mededogen' echter scherper de diepere ethische houding op de voorgrond brengen. Beauchamp en Childress zien mededogen als een deugd van waaruit men begaan is met het welzijn van anderen, gevoelig is voor en medeleven kent met andermans lijden en ongeluk en men iets wil ondernemen om het leed te lenigen.
Evenals empathie stelt mededogen ons in staat om ons in de situatie van de andere te verplaatsen en te bedenken hoe wij benaderd zouden willen worden als wij in die situatie waren. Mededogen verschilt van medelijden; medelijden suggereert een zekere neerbuigendheid, waarbij men zichzelf 'zoveel beter' voelt dan die 'minder geslaagde andere'. Mededogen houdt in dat men zich verbonden weet, in mededogen is er solidariteit met de lijdende, men beseft dat de realiteit een negatieve kant heeft waarin iedereen terecht kan komen zonder het te willen, dat we allemaal beperkt zijn en soms falen.
Authentiek mededogen is vrij van arrogantie. De hulpverlener vertrekt van de geïnteresseerde en nederige positie dat de cliënt 'zijn waarheid' meedraagt. Die persoonlijke waarheid zal zich als een unieke en complexe realiteit ontvouwen wanneer men bereid is te luisteren en door de feiten en de details heen te gaan, om zo te zien wat er werkelijk aan de hand is. Het emotioneel meetrillen met de ander is niet ingegeven door eigen emoties of persoonlijke affiniteit, maar door een zorgvuldig verstaan van de ervaringswereld van de ander. Dat impliceert steeds dat men eigen ( voor- )oordelen en noden opzij kan zetten en persoonlijke onvrede en leed kan onderkennen en onderscheiden van wat de ander meemaakt of nodig heeft.
Mededogen is ook altijd verweven met respect voor het anders-zijn en de eigenwaarde van ieder individu. In een multiculturele samenleving biedt een basishouding van mededogen vaak het beste uitgangspunt om erachter te komen op welke wijze men iemand met een andere achtergrond het beste kan benaderen en van dienst zijn.
Mededogen drukt zich uit in engagement en concrete daden. Zo kan bijvoorbeeld de wijze waarop een hulpverlener uitleg over een behandeling geeft, getuigen van mededogen omdat hij de moeite doet om het vakjargon te vertalen naar woorden die verstaanbaar zijn voor de cliënt en de tijd neemt om in te spelen op de vragen waarmee die cliënt zit. Vanuit mededogen zal men ook beter weten wat en vooral hoe het te vertellen aan een cliënt aan wie men pijnlijk nieuws moet overbrengen. In moeilijke situaties geven de regels van het 'informed consent' uit de beroepscodes vaak minder houvast dan een oprechte bekommernis om informatie te geven die aansluit bij de ervaringswereld van de cliënt en die de cliënt helpt om te voorziene problemen beter aan te kunnen. Vanuit mededogen weet men ook wanneer en hoe cliënten aan te raken. Marie de Hennezel (1997) bijvoorbeeld getuigt op ontroerende wijze hoe in hulpverleningsrelaties waarbij de cliënt geconfronteerd is met lichamelijke aftakeling en een gehavend zelfbeeld, de lichamelijke nabijheid de ander bevestigt in de onvergankelijkheid van zijn wezen of integendeel bewijst dat hij inderdaad weerzinwekkend is: 'Alle waarschuwingen en strikte regels die bij de analyse gelden: "geen fysiek contact, geen persoonlijke ontboezemingen", werden op slag waardeloos. Ik moest juist dichterbij komen, mijn intuïtie volgen, praten met mijn hart, mijn hand leggen op de plek waar het pijn deed.'
Ook een confrontatie kan getuigen van mededogend engagement om het beste te doen voor de cliënt en soms ook voor collega's, in plaats van genoegen te nemen met minder. Ter illustratie kan men hierbij denken aan het probleem om collega's te confronteren met onethisch gedrag. Wanneer een hulpverlener opmerkt dat zijn collega schade aanricht in de werksituatie omdat hij aangeschoten of depressief op het werk komt, is er mededogen nodig om uitdrukking te geven aan de bekommernis over de toestand van de collega en; de impact die dat heeft op de werksituatie. Het besef dat we allemaal perioden kennen; waarin we bezwijken onder de werkdruk of vluchten in middelen die het leed verzachten, kan ons helpen een constructieve dialoog aan te gaan, liever dan te roddelen over de collega die in de problemen zit. Gesprekken waarin de waarheid aan het licht mag komen, worden soms vermeden vanuit het motief dat de cliënt het niet aan zou kunnen. Men beseft daarmee te weinig dat de cliënt een pijnlijke waarheid allang meedraagt, maar daarmee bij niemand terecht kan. Bij een cliënt die aan een ongeval hersenletsel heeft overgehouden, ervaart de hulpverlener dat deze cliënt 'irriterend traag' spreekt. Toch wil hij steeds lange verhalen met veel details vertellen, met als gevolg dat familie en vrienden hem systematisch zijn gaan mijden. De hulpverlener kan nog wel geduld blijven opbrengen omdat hij tenslotte nooit meer dan een uur per week met deze cliënt doorbrengt. Echt mededogen bestaat er hier echter niet in dat de hulpverlener het vervelende spreken van de cliënt verdraagt, maar dat hij op constructieve wijze een confrontatie durft aan te gaan waarin hij met de cliënt bekijkt wat het effect is van zijn wijze van spreken op zijn contacten met anderen. Het is een pijnlijke realiteit dat het hersenletsel het spraakvermogen van de cliënt heeft aangetast, maar het bespreekbaar maken van de eenzaamheid die het gevolg is geworden van een ontkenning van het probleem, kan de cliënt pas echt uit zijn isolement halen.
Mededogen is geen weke emotie, het is eerder een vitale discipline waarin men het essentiële leert onderscheiden van het bijkomstige en waarmee men een krachtige aanwezigheid uitstraalt die werkelijk helpend is voor de ander.
De meeste hulpverleners hebben een spontane tendens om mededogend in het leven te staan. Vaak werd hun beroepskeuze ingegeven door het verlangen om mensen te begrijpen en koesterden ze reeds lang het ideaal om anderen te helpen. Velen hebben ook een affiniteit met lijden. Het zou ongenuanceerd zijn om te beweren dat hulpverleners aangetrokken werden tot dit beroep omdat ze zelf veel problemen hebben (gehad) .Wat onderzoek aan het licht brengt is dat hulpverleners als kind wel vaak emotionele pijn hebben gekend of opgroeiden in problematische gezinsomstandigheden, maar niet in zodanige mate dat hun interesse in mensen erdoor geschaad werd. Integendeel, hun nieuwsgierigheid naar het functioneren van mensen is erdoor toegenomen, evenals hun meevoelen met pijn van anderen en hun tolerantie voor ambiguïteit. Ze hebben daarbij een voorkeur ontwikkeld voor het copingmechanisme van zorgdragen voor anderen. De keerzijde is dat hulpverleners vaak de rol van redder willen opnemen en daarbij onvoldoende aandacht besteden aan hun eigen noden, dat ze hun eigen agressie onderdrukken en de onbewuste wens om hun eigen emotionele problemen een plaats te geven te weinig onderkennen. Dat verwijst tevens naar
de kwetsbare positie van iemand die te veel mededogen heeft. Het is niet voor niets dat hulpverleners kandidaten zijn voor het bumoutsyndroom. Bumout is niet zomaar een toestand van vermoeidheid; het gaat om frustratie als gevolg van toewijding aan iets wat niet de verwachte resultaten of bevrediging geeft. Het heeft te maken met hooggestemde idealen en tekortschieten in persoonlijke doelstellingen. De betrokkenheid van de hulpverlener en de langdurige blootstelling aan menselijke wanhoop, lijden en soms onoplosbare conflicten levert een zeker gevaar op voor de eigen gezondheid, vooral wanneer de afstemming op de anderen zo ver gaat dat de eigen gerechtvaardigde belangen verwaarloosd worden. De opvatting dat de werkelijke deugd het midden houdt tussen twee uitersten, is ook hier toepasselijk: men kan zowel te weinig als te veel mededogen hebben, men kan zowel te laag als te hoog mikken. 'Zelfmededogen' zou de hulpverlener kunnen helpen om een beter evenwicht te vinden. Daarvoor zou hij signalen van overbelasting ernstiger kunnen nemen, zoals verminderde concentratie en vergeetachtigheid, ondermijnd zelfvertrouwen, verstoord slaappatroon, toegenomen behoefte aan orale bevrediging, meer lichamelijke klachten, sufheid en uitputting, opgejaagdheid, problemen van mensen boeien niet meer en behoeften van vrienden of familie zijn te veel. Dergelijke tekenen kunnen een uitnodiging zijn voor de hulpverlener om meer grenzen te stellen aan zijn beschikbaarheid en minder hoog te mikken in zijn werkidealen.
Soms weet men wel wat integriteit en mededogen in een bepaalde situatie betekent, maar komt men er toch niet toe om daadwerkelijk ethisch te handelen. Vaak is dat een teken dat een andere morele kwaliteit ontbreekt, namelijk moed.

 

 

 

 

Homepagina Sangha Reiki