SILA
PARAMITA
De volmaaktheid van moraliteit
Waarom komt sila-paramita (sila=moraal, paramita=perfectie)na dana (dana=vrijgevigheid)?
De kracht van dana schuilt in de zuiverheid van de motivatie
van de gever en de zuivere relatie tussen gever en ontvanger.
Sila beperkt
zich niet alleen tot de handeling van geven, maar betreft de zuiverheid
van al onze verbale, fysieke en mentale handelingen.
Een essentieel aspect van de ontwikkeling tot volmaaktheid is de
wijze waarop iemand zich in zijn dagelijkse omgang met anderen
gedraagt. Onze
handelingen komen voort uit ons denken. Als ons denken onbeheerst
is, zullen ook onze handelingen onbeheerst zijn. Om die reden benadrukte
de Boeddha dat in het hele meditatieve proces bijzondere aandacht
besteed
moet worden aan moraliteit. Moraliteit of een juist gedrag is onmisbaar
voor elke innerlijke ontwikkeling die gericht is op bevrijding van
conflict en disharmonie, omdat:
Net als iemand niet met twee voeten tegelijk een stap kan zetten, zo
kunnen kusala en akusala niet tegelijk in actie zijn. Daaruit volgt dat
met de inspanning heilzame handelingen te verrichten en als zij zijn
opgekomen die te handhaven, het onheilzame wordt teruggedrongen en vice
versa. Dit is het principe dat aan juiste inspanning (samma-vayama) ten
grondslag ligt. Bijvoorbeeld: wie zich systematisch en consequent toelegt
op het ontwikkelen van metta (welwillende vriendelijkheid) en karuna
(mededogen) zal respectievelijk boosheid en hardvochtigheid elimineren.
Daarnaast is het belangrijk de andere basis voor het ontwikkelen van
een paramita toe te passen, namelijk het juiste gebruik van de middelen
en die ook op de juiste tijd te gebruiken.
Het juiste gebruik van de middelen die ons ten dienste staan is, met
betrekking tot sila-paramita, leven met de vijf basisprincipes voor een
juist gedrag (panca-sila).
Twee belangrijke aspecten daarbij zijn een juiste gewetensfunctie (hiri)
en voorzichtigheid (ottappa). De Boeddha noemde deze twee functies beschermers
van de wereld. Hiri is de afweging of de daad die men wil doen juist
is met betrekking tot iemands eigen moraliteit ten opzichte van het welzijn
van een ander en of die daad beiden wel of niet zal schaden. Ottappa
is de nauwgezette afweging of de daad die men wil doen wel de toets van
de kritiek van wijze mensen kan doorstaan.
Hier komt de andere basis voor de ontwikkeling van de paramita's, mededogen,
naar voren. Aan het beoefenen van een juiste moraliteit ligt de wens
ten grondslag zichzelf en anderen niet te kwetsen, te benadelen of pijn
te doen. Het toepassen van de vijf levensregels is een inspanning om
begeerte, haat en onwetendheid uit te bannen. De basis van de beoefening
van moraliteit is vertrouwen (saddha) in het feit dat een juist ethisch
gedrag de geest zuivert als onderdeel van de methode die leidt tot het
ophouden van lijden (de groep van moraliteit - silakkhandha - van het
achtvoudige pad), namelijk: juiste spraak, juist handelen en een juiste
levensonderhoud.
De meest bekende formule voor de beoefening van de vijf levensregels
is in termen van een passief 'zich trachten te weerhouden van' een daad
- varitta sila. Het andere aspect is het actieve ondernemen van de ontwikkeling
van een bepaalde eigenschap die maakt dat men de levensregels kracht
bijzet - caritta sila. Zo staat tegenover het zich weerhouden van:
het nemen van leven - het ontwikkelen van mededogen.
stelen - het ontwikkelen van eerlijkheid en tevredenheid.
sexueel wangedrag - metta, loyaliteit en respect
liegen, enzovoort - oprechtheid en respect voor anderen
geen geestbenevelende stoffen/dranken - oplettendheid en waakzaamheid
Vooral het aspect van caritta komt tot uiting in onze relatie met anderen.
De karakteristiek van sila is dat het tot een evenwichtige en kalme houding
leidt. Wie op een bewuste manier leeft weet of zijn motieven juist zijn
of niet en kan zo een doelbewuste keuze maken om het goede te doen en
het onheilzame te vermijden; hij/zij weet dat op dat moment dukkha geen
kans krijgt.
De functie van sila is het heilzame te ontwikkelen en het onheilzame
te elimineren. De manifestatie ervan is morele zuiverheid en een beheerste
geest.
In de leer van de Boeddha, zoals we al hebben gezien, is sila niet beperkt
tot uiterlijke handelingen alleen, maar sila is pas volkomen als er moreel
juist denken is. Bijvoorbeeld, iemand kan zich naar buiten toe voordoen
als een vriendelijk mens, maar in zijn gedachten anderen een heleboel
kwaad toewensen.
Sila alleen is niet in staat de onheilzame wortelcondities van begeerte,
haat en onwetendheid volledig uit te bannen, daarvoor zijn ook nog concentratie
en wijsheid nodig. Maar sila verzwakt deze wortelcondities en stelt iemand
in staat zijn geest te zuiveren en te beheersen.
Er zijn vier condities voor voortgang in dat proces:
constante inspanning / juiste inspanning.
bewustheid / oplettendheid (sati).
goede vriendschap met iemand die de Dhamma kent.
juiste manier van voorzien in levensonderhoud.
Sila heeft niets te maken met veranderende sociale normen en waarden
op het ethische vlak, maar houdt zich bezig met het intrinsiek heilzame
van de mentale motivatie bij het verrichten van een verbale en fysieke
handeling. Begeerte blijft begeerte ook in de eenentwintigste eeuw, boosheid
blijft boosheid en de greep van onwetendheid leidt nog steeds tot verkeerde
beoordelingen en onheilzaam gedrag.
Het resultaat van sila is innerlijke zekerheid en een gevoel van geluk
dat iemand geen blaam voor zijn handelingen treft door het verfijnde
onderscheid van wat heilzaam is voor iemand zelf, voor een ander en voor
beiden.
Homepagina Sangha Reiki


