LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka
Introductie
Mahamati, ware de Waarheid niet verklaard (en vastgelegd in woorden),
dan zouden de leerredes die alle waarheden omvatten verdwijnen, en wanneer
de leerredes verdwijnen dan zijn er geen Boeddhas, Toehoorders, Zelf-Verlichtten
en Bodhisattvas meer, en wanneer er niemand (van hen) meer is, wat zal
er dan onderwezen worden, aan wie?) Hfdst. 3 [194-195 in het manuscript].
De Lankavatara Soetra, de Afdaling, of eigenlijk, de Landing
op Lanka, is een canonieke tekst die grote delen van het Mahayana Boeddhisme
heeft
geinspireerd en nog inspireert, dat wil zeggen, daar waar ze voorhanden
is in een lokale taal. Ze is belangrijk in die school of traditie die "Enkel-Bewustzijn" wordt
genoemd, en is als gevolg belangrijk voor de zen-traditie, niet in het
minst waar het het oorspronkelijke Chinese zen (ch'an) aangaat; daar
is de Lanka een van de drie basisteksten.
Ook deze Soetra volgt de traditionele vorm waarin, na de woorden "Aldus
heb ik het gehoord" de schrijver herhaalt wat de Boeddha vertelde
toen de auteur er zelf bij was, of waarin hij herhaalt hoe anderen hem
de Boeddha's woorden overbrachten, of waarin hij opschrijft wat de Sambhoghakaya,
Boeddha's Vreugdevolle Resultaatslichaam, hem inspireerde op te schrijven.
Dat laatste is hier zeker het geval voor wat betreft de eerste twee hoofdstukken.
Voor wat betreft het woord soetra: Zeker het Kleine Voertuig gaat er
van uit dat alleen de door anonimi op schrift gestelde leringen van Boeddha
de naam soetra verdienen. Het Grote Voertuig heeft deze opvatting iets
opgerekt. Hier zien we, zeker vanaf ca. de zesde eeuw, dat werken ook
soetra genoemd mogen worden wanneer ze enigszins de sluier van anonimiteit
optillen, en wanneer daarin zonder omwegen verwezen wordt naar eerdere
op schrift gestelde canonieke werken. Daarin volgt de Mahayana dan zekere
Hindu-stromingen, zeker zuidelijke, die tot in de tijd van onze Renaissance
doorgingen korte aforistische teksten te componeren die soetra heetten.
VOORBEREIDING
De lezer van de Lanka, en van Mahayana-soetras in het algemeen wordt
verondersteld een gedegen kennis te hebben van de aanvangsleer. Nagenoeg
alle scholen van Boeddhisme die zich voor hun instructies richten naar
de soetras, de Leerredes, hebben een min of meer uitgebreid pakket aan
teksten over basisbegrippen. Die basisbegrippen zijn: kennis van de Vier
Nobele Waarheden, het Achtvoudige Pad, Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan,
karma en wedergeboorte, de leer omtrent de bewustzijnen, de dhatus, ayatanas,
en enige andere Abhidharma-kennis over het functioneren van lichaam en
geest. Bovendien dient u uiteraard het levensverhaal van Shakyamuni Boeddha
te kennen.
BOEDDHA
Een woordje over Boeddha. In de Lanka wordt Boeddha in het derde hoofdstuk
bij name genoemd: Gautama, ofwel Sakyamuni Boeddha. Niettemin wordt op
een aantal plaatsen gesproken over de Drie Boeddha- gestalten: de Dharmata-Boeddha
of Oorspronkelijke Boeddha, de Sambhogakaya- Boeddha of het Vreugdevolle
Resultaatslichaam van Boeddha dat aan ons in diepe en succesvolle meditatie
kan verschijnen, en de Transformatie-Boeddha, d.w.z. de Boeddha die zich
in mensengedaante vertoont. De twee laatstgenoemden zijn manifestaties
van de Dharmata-Boeddha die ook wel het Boeddhalichaam wordt genoemd.
Daarmee is de Lanka voorbij het Kleine Voertuig-Boeddhisme, en dan ook
een stap verder dan de vroege Mahayana-geschriften, de Perfectie-van-Wijsheid
teksten waarin hooguit twee Boeddha-vormen worden genoemd.
SOCIALE STRATIFICATIE EN DHARMA-UITLEG
Iedere taal is beperkt in zijn woordenschat. Wanneer alle sprekers
van die taal dezelfde culturele en religieuze achtergrond hebben, zijn
de
in die taal gebruikte woorden niet voor tweeerlei uitleg vatbaar; alle
deelnemers begrijpen de betekenis van een x-woord. Anders wordt dat zodra
of wanneer er culturele en/of religieuze verschillen binnen een taalgebied
ontstaan. Op zo'n moment moeten diegenen die een nieuw cultuur-element
of een nieuwe religieuze uiting onder woorden willen brengen, met het
beperkte woorden-arsenaal aan de slag om nieuwe of andere betekenissen
over het voetlicht te brengen. Iets dergelijks heeft zich in India vanaf
het vroegste begin voorgedaan: verschillende sociale lagen binnen de
bevolking hadden, en hebben, een deels verschillende culturele bagage,
terwijl er ook religieuze en atheistische uitingen ontstonden die onderling
min of meer afweken in hun taalgebruik. Dat betekent dat er nieuwe filosofieen
ontstonden die dezelfde woorden gebruikten als de "oude", maar
daar nieuwe en andere bedoelingen mee hadden. Dit was in India des te
meer het geval, zie alleen maar het feit dat niet alle (sub-)kasten gerechtigd
waren de Veda te bestuderen. Nu waren Boeddha's eerste gezellen afkomstig
uit verschillende kasten: de Ksatrya-kaste (de Boeddha), de Vaishya-kaste
(Yashas, de zesde toevluchtnemer), en een paar andere kasten en/of subkasten
waarover ons niets werd bericht. Zeker is in ieder geval dat de eersten
die Boeddha onderrichtte de Veda kenden, en onder de indruk moeten zijn
geweest van niet alleen Boeddha's kennis dezer werken, maar ook van de
nieuwe inhoud die hij gaf aan oude begrippen. Die nieuwe inhoud vernemend
kwamen ze tot Ontwaken: ze hadden "iets gehoord dat nog niet eerder
gehoord werd."Latere volgelingen echter, en zeker latere generaties
buiten India zelve, waren niet per definitie op de hoogte van beide betekenissen
van gebruikte begrippen; ze kenden slechts de nieuwe inhoud, en niet
de vedische. Dit heeft vertalers van buiten India Bharat voor de moeilijkheid
gesteld woorden te zoeken voor begrippen waarvan zij soms wel, soms niet
beseften dat deze diepere gronden reikten dan op het eerste oog waarneembaar.
Deze problematiek komen we voluit tegen in de Lanka. In het bespreken
van de standpunten der "geleerden" moeten we bijna allemaal
toegeven onvoldoende op de hoogte te zijn van de oude vedische inhoud
van bepaalde woorden. Een voorbeeld daarvan is de dharma/adharma-discussie
uit het eerste hoofdstuk.
OVER OUDERDOM EN ONTSTAAN VAN DE LANKA
Indien we de tekst in twee gedeelten zouden kunnen uiteenleggen, dan
zou gezegd kunnen worden dat de eerste twee hoofdstukken in het noorden
van India tot stand kwamen, en de laatste twee in het zuiden. Daarvoor
zijn de volgende overwegingen aan te voeren. Historici zeggen dat Vaisnavisme,
de Hindu-leer die zich centreert rond de god Vishnu, voornamelijk in
het noorden werd beleden. Voor zover ze herkenbaar zijn gaan de in de
eerste twee hoofdstukken genoemde niet-boeddhistische filosofieen een
aantal malen over Vaisnava-geinspireerde stromingen. Het is pas in het
derde hoofdstuk dat we Saivistische stromingen herkennen, stromingen,
zich richtend op de god Siva, die in het zuiden sterker aanwezig waren
dan in het noorden. Bovendien zijn daar nog twee fragmenten over Hindu-geinspireerde
theologieen waarvan aangenomen wordt dat ze - redelijk laat - hun ontstaansgrond
in Zuid-India hadden, zie daarvoor de aantekeningen bij hoofdstuk Drie.
Hoofdstuk Drie geschreven in het zuiden?
De trek naar het zuiden is voor het Boeddhisme zowel uit historisch
als leerstellig oogpunt van belang. Nadat de Moghul-invasie in het noorden
een eind maakte aan in ieder geval sramana-bewegingen die atheistisch
waren, of waarvan een zeker theisme niet werd herkend, trok in ieder
geval Boeddhisme (noch atheistisch, noch theistisch) zuidwaarts waar
ze een andere, en in sommige opzichten onbekende vorm van Hinduisme -
meestal Saivisme - ontmoette. De tempelgrotten van Ajanta en Ellora tonen
hoe Boeddhisme de daar beschikbare ruimte had te delen met Hinduisme.
Daar en elders in het zuiden moesten antwoorden gevonden worden op vragen
die voortkwamen uit Saivisme, en uit de leer rond de Godin (Devi), zo
populair binnen de Tamil-gemeenschap. Verder had men te maken met een
bevolking die wars was van celibatair levende religieuzen. Derhalve,
ondanks het feit dat ook Boeddhisme tantras ging ontwikkelen, als in
het zuiden, en ondanks het feit dat, als tegenwicht tegen zuidelijke
Devi-verering bodhisattva Avalokiteshvara in vrouwelijke gedaante werd
getoond, heeft Boeddhisme in het zuiden van India geen stand kunnen houden
- althans dat was tot midden 20e eeuw de aanname van al die betrokkenen
die over dit onderwerp publiceerden. Hoe het de Boeddha-Dharma tussen
het eind van de Moghul-periode en eind 19e eeuw in India vergaan is,
is echter nooit onderwerp van serieuze studie geweest. Feit is wel dat
toen, na een jarenlang verblijf op Sri Lanka, Col. Olcott aan het eind
van de 19e eeuw in Zuid-India arriveerde om daar een studie- en publicatie-centrum
te vestigen, hij al snel bijgestaan werd door lokale geleerden die van
de hoed en de rand wisten, terwijl het Kleine Voertuig-Boeddhisme nooit
weg was geweest uit de heuvels die nu de grens vormen tussen Bengalen
en Bangladesh.
Over de ontstaanstijd
Wanneer we, het meest prominent in hoofdstuk Twee, zie hoe de
auteur van dit tekstegedeelte leerstukken uit de Abhidharma Kosa behandelt,
een Mahayana-verhandeling over psychologie, filosofie, en de werking
van materie, die bedoeld was als massieve tegenhanger van de vroege Pali
Abhidhamma-teksten, en die geschreven werd ergens in de vijfde eeuw,
dan kan het schrijven van de Lanka niet eerder aangevangen zijn dan ca.
de zesde eeuw. Echter, successieve auteurs richtten hun pijlen in bijna
ieder tekstgedeelte op een begrip als "onderscheiden" In de
achtste eeuw CJ kende het Hinduisme een geleerde met de naam Sankara
(klemtoon op de eerste lettergreep). Hij was de stichter van de Advaita-Vedanta.
Sankara ontwikkelde zijn theorieen met als doel het Yogacara-boeddhisme,
de Enkel-Bewustzijn-leer, te ontkrachten. Een van zijn belangrijkste
stellingen was dat onderscheiden, of onderscheid-aanleggen, nodig was
om zo te zien wat zelf en niet-zelf was. Hij hanteerde deze methode om
het kleine zelf tot nul te reduceren teneinde tot een herkennen van het
absolute Zelf te komen. Wanneer de Lanka een ontal malen herhaalt dat
onderscheiden, of onderscheid-aanleggen dualistisch is, en dus af te
wijzen, dan hebben we hier wellicht te maken met een reaktie op de Advaita-Vedanta
van Sankara, alhoewel noch zijn naam, noch zijn leer worden genoemd.
Niettemin, zouden we Lanka's aandacht voor een juist begrijpen van niet-twee,
van niet-dualiteit, van het verkeerd zijn van onderscheid-aanleggen mogen
duiden als een reactie op Sankara, dan is ook de Lanka, in zijn geheel,
niet ouder dan de achtste eeuw. Daar moet dan onmiddellijk aan toegevoegd
worden dat het omgekeerde evenzeer het geval kan zijn geweest. Waar de
vier overige door de Lanka afgewezen filosofieen eveneens bedoeld waren
als tegenkracht tegen Boeddhisme, maar niet of slechts ten dele effectief
waren, kan Sankara het verschijnen van de Lanka aangegrepen hebben om
een nieuwe, massieve tegenbeweging op gang te brengen.
HET HOOFDTHEMA
Al in het eerste hoofdstuk wordt meer dan duidelijk dat zicht
krijgen op de betekenis van "het tweevoudige niet-zelf" het hoofdmotief
is van de Lanka. We spreken dan over die ervaringswijsheid die zegt dat
noch in het wezen, noch in de overige fenomenen een "ens",
een "-heid" te vinden is. Deze kennis wordt uitgebreid besproken
en de lezer moet proberen hier een diep en intuitief begrip van te krijgen.
Voorts wordt doorheen de tekst duidelijk dat hier, als elders, een volgen
van de Middenweg zeer nadrukkelijk wordt voorgestaan. Dit aspect van
de Middenweg wordt in de Eerste Leerrede aan de orde gesteld en kan omschreven
worden met "het midden houden tussen de mening die zegt dat alles
voor eeuwig bestaat, en de mening die stelt dat niets bestaat, of, dat
niets na het uiteenvallen van het wezen of fenomeen voortduurt. Pas in
het derde hoofdstuk, in vers 114, zie we een referentie naar sunyata,
ledigheid, als een verwoording van zowel niet-zelf als van Afhankelijk,
Voorwaardelijk Ontstaan (pratitya samutpada). Echter, het derde hoofdstuk
is wel zeker een latere toevoeging. We vinden overigens een voorbeeld
van deze uitgebreidere interpretatie van niet-zelf (anatta) ook in de
veel vroegere Avatamsaka- of Bloemenkrans-soetra (ca. 1e-2e eeuw), een
tekst waar de successieve auteurs van de Lanka op veel plaatsen op gesteund
hebben. In die Bloemenkrans-soetra vinden we het boek "Verhelderende
Methode". Daar staat: "Het definitieve kenmerk der dingen is
dat ze impermanent zijn, passieloos, en zelfloos." Het woord impermanent
verwijst dan naar Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan. Dat de boeddhistische
leer over niet-zelf, in enge, op de persoon gerichte zin weerklank vond
in het westerse denken toont een van de 20e eeuwse existentialistische
filosofen, Simone de Beauvoir: "Wij zijn het wezen waarvan het wezen
is geen wezen te hebben." Meer over het derde hoofdstuk op de bestemde
plaats.
MANJUSHRI EN SAMANTABHADRA
Tussen de Lanka en de Avatamsaka soetra bestaat meer dan een overeenkomst;
ze zullen in de noten ter sprake komen. Een structurele overeenkomst
is dat zowel de Avatamsaka als de Lanka beide grote bodhisattvas opvoeren
- met een verschil: in de Avatamsaka zijn beiden de interlocuteurs van
Boeddha, in de Lanka vervult alleen Manjushri, hier Mahamati genaamd,
die functie. Echter, de Lanka verwijst uitgebreid naar de praktijk van
de ander, naar de tien grote geloften van Samantabhadra. Beide grote
bodhisattvas zijn attendanten van een Boeddha, soms is dat Shakyamuni
Boeddha, maar meestal is het de Oorspronkelijke Boeddha, of Dharmata-Boeddha,
of hier nu de naam Vairocana of een andere aan gegeven mag worden.
DE PLAATS VAN DE GURU
Hoewel reeds in de vroege Kleine Voertuig-teksten manuscripten
voorkomen waarin Boeddha niet spreekt tenzij iemand hem vragen stelt,
is het in
het merendeel der Mahayana-geschriften gebruikelijk dat de tekst is opgebouwd
op een vraag-en-antwoord stramien - zo ook de Lanka. De Indoloog Gavin
Flood volgend moet gezegd worden dat dit gebruik in het Hinduisme pas
vaste regel werd met de zuidelijke tantras, en wel vanaf de zesde eeuw.
De Lanka, niet ouder zijnd dan in ieder geval de zesde eeuw, volgt hierin
dus wellicht een "moderne" trend, en geeft daarmee latere generaties
Boeddhisten aanleiding te menen dat slechts de woorden van een door Boeddha's
kracht geinspireerde guru een zekere canonieke waarde gegeven kunnen
worden.
HET THEOLOGISCHE DEBAT
Binnen het Boeddhisme is het gebruikelijk dat men zich niet mengt in
het theologische debat, onder het motto dat zo'n debat wel veel hitte
genereert, maar geen of weinig licht. De Lanka maakt hierop een uitzondering.
De reden daarvoor zal geweest zijn dat in de ontstaanstijd van dit canonieke
geschrift een aantal indiase filosofische systemen, zoals de Sankhya,
maar zeker de Advaita Vedanta, er waren met het specifieke doel de Boeddha-Dharma
ofwel te incorporeren in het eigen systeem, ofwel te bestrijden. Wat
we in beide divisies van de Lanka zien is een gerichte poging hier het
hoofd aan te bieden. Men zou vandaag kunnen denken dat deze discussie,
die, globaal, tussen de zesde en de achtste eeuw plaatsvond, nu geen
relevantie meer heeft. Ze heeft er echter toe geleid dat respectieve
Enkel-Bewustzijn-representanten zich genoopt voelden om heel precies,
in groot detail, op te tekenen wat dit aspect van de Boeddha-Dharma dan
wel was. Dat is dan het positieve effect van debatten die op zichzelf
niet erg getuigen van een stille vrede. Eenmaal de Lanka voorhanden moest
er een keus gemaakt worden tussen wel of niet vertalen. De keus is op
het eerste gevallen omdat wat tussen de debatten door over de Enkel-Bewustzijnsleer
wordt gezegd vandaag nog net zo relevant is als toen - zeker wanneer
we kijken naar het materialisme van een Lokayata-trend - geen transcendentie,
maar wel een zelf - die vandaag in het Westen door velen herkend zou
worden.
DE GELEERDEN
India is een van die landen waar debatteren over religie en filosofie
heel gewoon is. Voor dat deel van de bevolking dat aandacht kan schenken
aan religie en spirituele bevrijding, over het algemeen in de vorm van
bevrijding uit de kringloop van leven en dood, is het nog steeds levensbelangrijk
de juiste levensvisie te ontwikkelen, danwel aan te hangen. Immers, eenmaal
de juiste visie op leven en wereld ontdekt zijn lijden en dood ontkracht.
De Lanka gaat uitgebreid in op de stellingen der Nyaya, Sankhya, Vaishesika,
die met name genoemd worden, en, in het derde hoofdstuk, de Lokayata,
eveneens genoemd.
Waar de liefde van de auteur der eerste twee hoofdstukken lag
is overduidelijk. Hier sprak een door-en-door Vijanavadin, iemand die
de Enkel-Bewustzijn-leer
vertegenwoordt. Vijnanavada wordt ook wel Yogacara (liefde voor de meditatieve
praktijk) genoemd, of valt daar op een gegeven moment mee samen. (De
Yogacara was overigens de eerste die China bereikte, nog voor de Perfectie-van-Wijsheid-geschriften.)
In het nederlands noemen we dit conglomeraat van Vijnanavada en Yogacara "Enkel-Bewustzijn." Lanka's
successieve auteurs, allemaal tot deze stroming behorend, moeten immense
waardering hebben gehad voor de geleerde vijfde-eeuwse monniken Asanga
en Vasubhandhu. Asanga werkte de Yogacara-Vijnanavada-filosofie verder
uit, en Vasubhandhu, de samensteller van de eerder-genoemde Mahayana-Abhidharma,
voegde zich bij hem, hetgeen leidt tot de volgende overwegingen:
ZUIVERHEID VAN FILOSOFIE
Naar westers inzicht dient een filosofie "zuiver" te zijn:
Platonisme dient platoons te zijn zonder accreties van andere filosofieen;
Protestantisme dient protestants te zijn zonder katholieke insluipingen.
Dat is de norm. Voldoet een filosofie daar niet aan, dan wordt ze verbasterd
genoemd. Die maatstaf werd, en wordt op een aantal plaatsen nog steeds
gehanteerd door geleerden die Boeddhisme bestuderen. Papers van westerse
academici tonen niet zelden die hang naar zuiverheid: men wenst een zuivere
Yogacara-tekst te ontmoeten, of een zuivere Madhyamaka-tekst. Die hang
naar dit soort zuiverheid hebben Boeddhistische meesters nooit gehad.
Wanneer iemand, althans binnen de Mahayana, levend in een relatieve afzondering,
geconfronteerd werd met een voorheen onbekende Dharma-interpretatie,
uit ditzelfde Grote Voertuig, dan werd zo'n interpretatie met enthousiasme
omarmd en zo mogelijk geintegreerd in het eigen denken. Derhalve, wanneer
Lanka's auteurs omstandig, en succesvol, de Enkel-Bewustzijn-stroming
verdedigen, dan brengen ze eer aan Asanga's en Vasubhandhu's werken,
en steunen voorts niet weinig op de eerder genoemde Bloemenkrans-soetra,
met name op het daarin opgenomen werk "De Tien Stadia" (Dasabhumika
shastra). En waar ze een zekere formele logica hanteerden gingen ze bovendien
te rade bij de werken van de grote Nagarjuna. Met dit instrumentarium
in handen werd een poging ondernomen om in die tijd levende, niet-boeddhistische
filosofieen te weerleggen.
De auteur van hoofdstukken Een en Twee nam als eerste de toen
in zwang zijnde Nyaya-filosofie onder handen. Nyaya (logica) was een
systeem dat
bevrijding trachtte te bewerkstelligen door het direct ervaarbare als
enige bron van analyse te nemen. Het is tegen de achtergrond van de Nyaya-filosofie
dat de Lanka voortdurend herhaalt dat datgene dat we menen waar te nemen
niet alles is, dat we er de juiste wijsheid op moeten toepassen, dat
het illusoir is, kortom, dat wat de vijf zintuigen als waar zien onbetrouwbare
gegevens zijn. Vers 37 uit het derde hoofdstuk zet dat kernachtig neer: "Omdat
alle dingen onwerkelijk zijn is er noch bezoedeling, noch zuiverheid.
Dingen zijn niet wat ze lijken, noch zijn ze anders."Niettemin,
zegt de geinspireerde, is het direct ervaarbare onontbeerlijk om een
juiste balans te vinden tussen aan de ene kant het materialisme of realisme
zoals dat van de Nyaya, en aan de andere kant een geesteshouding die
letterlijk oplost in het grote niets.
Overige filosofische stromingen die in deze Soetra uitgebreid aan bod
komen, vinden we doorheen, maar specifiek genoemd tegen het eind van
hoofdstuk Twee (vers 174): die van de Sankhya en de Vaishesika.
De Sankhya-filosofie zegt bijvoorbeeld dat ontstaan er is als gevolg
van onwetendheid (karika 66 uit de Sankhyakarika). Dit zegt de Boeddha-Dharma
ook; echter, pas wanneer we verder analyseren naar begrippen als "ontstaan" en "onwetendheid" ontdekken
we fundamentele verschillen. Met het begrip Prakriti dat we tegenkomen
voorbij de helft van hoofdstuk Twee duidt de auteur ongetwijfeld eveneens
op een van de concepten van de Sankhya. In die leer betekent Prakriti
datgene dat overblijft wanneer lichaam en ego zijn verdwenen. Ook hier
valt een parallel waar te nemen met Boeddhisme, en ook hier moeten we
dieper duiken in de betekenis van de woorden om er achter te komen wat
er in deze en gene Leer mee bedoeld wordt. We vinden voorts in datzelfde
Sankhya-systeem concepten als Nirmanakaya: in Sankhya de illusoire gestalte
van de Wijze, in Mahayana-Boeddhisme een van de drie Boeddhagestalten.
En wanneer Lanka's auteur spreekt over "de principes", heeft
hij het over de Sankhya-filosofie waarin het bestaande werd beschreven
aan de hand van zo'n 25 principes, tattvas.
Omvangrijke kritiek had Lanka's auteur op de filosofie van de
Vaishesika. Wanneer de Lanka spreekt over categorieeen als substantie,
kwaliteit
(guna), en individualiteit (of particulariteit) versus algemeenheid,
dan spreekt hij over de Vaishesika- filosofie; wanneer hij keer op keer
ingaat op concepten als "zijn" en "bestaan", heeft
hij het over het Vaishesika-systeem, en hetzelfde geldt wanneer hij spreekt
over tegengestelden als "eeuwigheid" en "niet- eeuwigheid", "gelijktijdigheid" en "niet-gelijktijdigheid".
Het is heel wel mogelijk dat de in zen gebruikte "zeven paren van
tegengestelden" ontstonden uit de discussie, om het mild te zeggen,
tussen Boeddhisme en Vaishesika. En wanneer Lanka's auteur de syllogismen
der geleerden afwijst, wijst hij de Vaishesika af.
Al met al is overigens niet geprobeerd de genoemde niet-boeddhistische
filosofieen in het volle licht te zetten; dat vergt een aparte studie.
BIJ HET DERDE HOOFDSTUK
Eerder werd al opgemerkt dat het mogelijk is dat hoofdstuk Drie een
latere toevoeging is. De stijl ervan is vloeiender en helderder dan die
van hoofdstukken Een en Twee, en, waar hoofdstuk Twee de refutatie van
een drietal andere filosofisch-religieuze stromingen bevat, komt pas
in hoofdstuk Drie een vierde, de Lokayata-traditie ter sprake.
De (Carvaka-) Lokayata was een atheistische, niet-boeddhistische stroming
die zich, als de Nyaya, uitsluitend bezig hield met de ervaarbare wereld,
en die bovendien stelde dat de dingen in die ervaarbare, externe wereld
zelf-aard bezitten. Vandaag is de studie van wat de Lokayata voorstond
een must aan een aantal boeddhistische hogescholen in Azie. Het is duidelijk
dat de "rationalistische", enkel-en-alleen-deze-wereld-en-dit-leven
gerichtheid van Lokayata terecht gezien wordt als een afwijken van de
Middenweg die Boeddha predikte.
Vanaf dat punt, met de visie der Lokayata in gedachten, worden in hoofdstuk
Drie een aantal themas uit de eerste hoofdstukken opnieuw behandeld,
en komen we bijvoorbeeld ook de naam van de Hindu-god Vishnu tegen.
In dit zelfde hoofdstuk komen Hindu-stromingen ter sprake die niet eerder
in de voorgaande hoofdstukken werden genoemd. Zo is er een anecdote rond
een aanhanger der Hindu-god Narayana, op een zodanige wijze verwoord
dat met zekerheid gesteld kan worden dat dit fragment niet eerder dan
de elfde eeuw kan zijn ontstaan, en er is bovendien een tekst waarin
het begrip Maya (illusie) op zodanige wijze wordt behandeld dat slechts
geconcludeerd kan worden dat hier sprake is van de Saiva-Siddhanta-leer
uit het zuiden.
NIHILISME
Vaak wordt aangenomen dat Enkel-Bewustzijn nihilistisch is,
dat het al het bestaande ontkent. Tussen neus en lippen door zet vers
47 in dit
derde hoofdstuk deze zaak recht: "Je verbeelden dat dingen niet
bestaan is karakteristiek voor gehechtheid; is de waarheid hiervan eenmaal
tot je doorgedrongen dan is het net van gehechtheden verwijderd." Duidelijker
kan toch niet gemaakt worden dat Yogacara-boeddhisme geen nihilisme is.
BIJ HET VIERDE HOOFDSTUK
Hoewel in hoofdstuk Drie reeds enkele bronnen van zen aan het daglicht
kwamen, is het waarschijnlijk hoofdstuk Vier met zijn punt-voor-punt
behandeling van een serie onderwerpen dat de Lanka de roep heeft bezorgd
een van de belangrijkste basisteksten voor de zen-praktijk te zijn. Weliswaar
wordt hier nog steeds verklaard dat de geleerden, resp. de geleerde religieuze
praktikanten uit niet-boeddhistische stromingen het bij het verkeerde
eind hebben, maar de hitte van het debat met deze stromingen is er af.
Aangenomen moet worden dat grote delen van dit stuk uit de pen der chinese
meesters kwamen.
Dan zijn er, terwijl toch al in hoofdstuk Twee definitieve woorden werden
gewijd aan dit onderwerp, in hoofdstuk Vier tekstgedeelten die verder
gaan met een poging de Tathagatagarbha-filosofie te verenigen met die
van de Enke-Bewustzijn-leer.
Voorts zijn er, naast al eerder voorkomende verhandelingen over de onvernietigbaarheid
van de Dharmakaya, en over het momentaan zijn van alle dingen, opnieuw
passages over deze onderwerpen - uiterst inspirerend voor al diegenen
die de meditatiemat als hun werkplaats beschouwen. Het is mogelijk dat
de Dharmakaya-leer, vanaf het moment dat de Lanka bekendheid kreeg in
China, extra aandacht ontving onder invloed van de daar beleden Taoistische
filosofie.
Hoofdstuk Vier bevat voorts een passage over vegetarisme, overwegingen
die in latere sets Bodhisattva-geloften zouden worden geintegreerd; dit
tekstgedeelte is ongetwijfeld eveneens een latere chinese toevoeging.
Er is overwogen de laatste tekst uit dit hoofdstuk, nl. de dharani niet
op te nemen daar dharani geen functie en werking hebben wanneer ze niet
op de juiste wijze worden uitgesproken. Aangezien echter maar zo weinig
Mahayana-teksten in het Nederlands zijn overgezet, is het niettemin toegevoegd.
HOOFDSTUK EEN
HOOFDSTUK TWEE
HOOFDSTUK DRIE
HOOFDSTUK VIER
Homepage Sangha Reiki

 
|