DE LEERREDE OVER HET ONGELIMITEERDE LEVEN VAN HET DRIEVOUDIGE LICHAAM
Hoewel de Soetra van Ongelimiteerd Leven van het Drievoudige Lichaam
vooral bekendheid geniet binnen de Tendai-richting, plus de japans-boeddhistische
esoterie genaamd Shingon, wordt de manifestatie van Vairocana Boeddha
zoals deze hier gegeven wordt gewaardeerd door het chinese Boeddhisme,
en is het wellicht de hier gegeven beschrijving geweest die geboorte
heeft gegeven aan de vroegste chinese theorie over de trikaya, het drievoudig
lichaam. Zie daarvoor de pagina over Boeddha, meer bepaald de bijdrage
over Het Grote Heengaan, de woorden over de drie Boeddhas. Wanneer we ons uitsluitend richten tot de betekenis van het
hier gegeven tekstfragment, dan zien we hier een behandeling van het
concept "de
oorspronkelijke Boeddha, geen mind, geen gedachte" waarbij de zen-beoefenaar
zo hard knikt dat zijn/haar hoofd er bijna afvalt. Het fragment begint op het moment dat de standaard-aanhef, "Aldus
heb ik het gehoord" al voorbij is, en voorbij de passage waarin
een beschrijving wordt gegeven van de plaats waar dit gesprek plaatsvond,
en wie er zich allemaal onder de toehoorders bevonden.
Het fragment
Terwijl hij vredig verbleef in de [concentratie-meditatie genaamd]
de "maan-ring" richtte
hij zich tot Boeddha en zei, "Wereldgeëerde, sinds oeroude
tijd hebben we geluisterd naar de Tathagata [de Zo-gekomene, Boeddha]
wanneer hij de Dharma predikte. Van welke Boeddha hoorde de Tathagata
deze prediking, het geluid van de Dharma?" Opnieuw sprak Manjushri Bodhisattva en vroeg, "Wie is er
binnenin dat binnenste verblijf [dat ligt aan het eind van die] eenenveertig
niveaus?" Weer wendde Manjushri Bodhisattva zich tot Boeddha, en zei, "Van
welke Boeddha ontving Mahavairocana, die op het wonderbaarlijke stadium
van verlichting is, deze Dharma-prediking?" Manjushri Bodhisattva vroeg, "van welke Boeddha ontving
de oorspronkelijke Boeddha die zonder begin en zonder einde is, die
geen mind, geen gedachte
is, de Dharma-prediking?" Manjushri Bodhisattva vroeg, "van welke Boeddha ontving
de oorspronkelijke Boeddha die geen mind, geen gedachte is, de Dharma-prediking?" Manjushri vroeg, "Als er boven en voorbij de oorspronkelijke
Boeddha van geen mind, geen gedachte geen karakteristiek is van het
drievoudig
lichaam, noch van de tien vormen van [weder-]geboorte, vanuit welke basis
verrijzen dan het drievoudige lichaam en de tien vormen van geboorte?" Manjushri zei, "Als dit zo is, dan is er geen Boeddha die
een aanvangsprediking uitsprak." Manjushri sprak tot Boeddha en zei, "Dat wat de Wereldgeëerde
predikt is buitengewoon diepgaand. Het is waar, maar we zijn niettemin
niet bij machte dit [helemaal] te bevatten. Het is goed, goed; ik zal
met plezier deze soetra prediken." Nadat Boeddha deze prediking beëindigd had zette hij zich in de lotuspositie en ging een wonderbaarlijke en verheven samadhi [concentratie] binnen. Ook Manjushri de Dharmaprins, en iedereen in de verzameling van vierentachtigduizend monniken ging, dankzij de bovennatuurlijke kracht van Boeddha, deze samadhi binnen. Toen werd het volgende waargenomen. Vanuit zijn staat van concentratie straalde Boeddha's gezicht een grote lichtcirkel uit en zette daarmee Manjushri en de vierentachtigduizend monniken in het licht. Uit Manjushri's kruin verrees een wijsheidszwaard [waarmee onwetendheid doorkliefd wordt], en vanuit zijn lendenen verscheen een goudharige leeuw. Daarna verspreidde de Tathagata's lichtstraal zich in alle richtingen, en zijn lichaam had de kleur van goud. Manjushri zei, "Wereldgeëerde, we hebben [nu wel] het onvoorstelbare behaald; onze harten springen op van vreugde."(8) Daarop uitte de Tathagata deze versregels
Mahavairocana wordt uitgesproken als mahaa (= groot) vajróótsjana. (1) Deze tweevoudige concentratie wisselde concentratie op het intuïtieve doorklieven van onwetendheid af met concentratie op de formeel vastgelegde Boeddha-Dharma. Het staat in de traditie waarin concentratie op een (niet-)onderwerp wordt afgewisseld met kalmte-meditatie. (2) Al in de vroegste predikingen vinden we passages waarin de verblijfplaats van Boeddha werd beschreven zoals deze bijvoorbeeld in de gaard met de naam (d)Jetavana was gebouwd, en waarin Boeddha het regenseizoen doorbracht. Deze iets grotere hut, of dit iets grotere gebouwtje had twee kamers, een voorste kamer die Boeddha gebruikte voor de dagelijkse bezigheden zoals eten of met iemand praten, en een binnenkamer waarin hij zich terugtrok voor meditatie en voor de nacht. (3) Merk op hoezeer deze lijst van telkens tien te doorlopen stadia overeenkomt met de rijtjes van tien stadia zoals die in de Avatámsaka soetra wordt gegeven. (4) Ws. ayavyaya. Het achtentwintigste boek van de Avatámsaka soetra gaat kort op dit begrip in. De Lankavatara soetra, tekst 50, spreekt hierover, maar noemt het begrip 'komen-gaan' een concept dat gehanteerd werd door de Lokayata, een materialistische filosofie waar het Boeddhisme niets mee op had. De Lokayata bestaan formeel niet meer, al zijn ze opgevolgd door de "het vlees is beter dan de benen"-filosofie. (5) Zie de woorden over de trikaya in de inleiding. (6) Aard. Over het begrip aard, of kenmerk, soms 'karakteristiek'
zegt het zesentwintigste boek van de Avatámsaka soetra: (7) Onderandere in de Lotus soetra ('Manjushri in de Lotus Soetra') wordt Manjushri de Dharmaprins genoemd, de erfopvolger van Boeddha. (8) Met deze uitspraak wordt aangegeven dat het pad naar Boeddhaschap uit twee delen bestaat die samen of afwisselend bewandeld moeten worden: luisteren/leren, en in praktijk brengen.
|