lao tse

De Weg van Lao-tse
Wat bedoelde Lao-tse met Tao?
De Tao Te Tjing van Lao-tse

Naar diverse lezingen en artikelen
Tao is de weg (John Willemsens)

 

DE WEG VAN LAO-TSE

INLEIDING TOT DE TAO TE TJING VAN LAO-TSE,
DOOR JOHN WILLEMSENS, IN BRES 145 (DEC. 1990) . (HERZIEN)

WING-TSIT CHAN


Van de vele hedendaagse vertalers van de Tao Te Tjing heeft vooral professor Wing-tsit Chan zich veel moeite getroost, om ons een heldere en vooral onbevooroordeelde Engelse weergave van dit hoogtepunt in de oude Chinese literatuur en filosofie te schenken.

Prof. Chan heeft allereerst getracht de Tao Te Tjing , ook wel de Lao-tse genoemd, in het juiste historische perspectief te plaatsen. In tegenstelling tot de bewezen historiciteit van zijn tijdgenoten Mo-tse, Confucius en Sjakjamoeni Boeddha, is het volgens sommige onderzoekers verre van zeker of de wijsgeer Lao-tse daadwerkelijk heeft bestaan. De Tao Te Tjing zou volgens hen eerder een verzameling oude, overgeleverde wijsheden zijn die, zoals wel vaststaat, van de samenstellers en latere bewerkers de vrij homogene stijl, de verdeling in eenentachtig hoofdstukken en de volgorde hiervan in twee delen heeft meegekregen. Het is aan zo'n compilatie van oude wijsheden dat men omstreeks het jaar 150 v.C. de naam Tao Te Tjing , dat wil zeggen Gezaghebbende verhandeling over de Weg en zijn deugdzame werking zou hebben toegekend.

De vele berichten die tot ons zijn gekomen over het bestaan van ene Lao-tse zouden geen van alle op bewijsbare historische feiten stoelen, eerder op hearsay , horen zeggen. Over de werkelijke naam van Lao-tse, wat enkel 'oude meester' betekent, zou eveneens weinig met zekerheid te zeggen zijn, behalve dat wij ook de namen Li Erh, Lao Tan, Lao Lai-tse en die van de hofkroniekschrijver Tan in oude geschriften tegenkomen. Of hiermee Lao-tse bedoeld wordt en zo ja, of deze de auteur van de Tao Te Tjing is, zou nog maar de vraag zijn.

Daar het boek geen jaartallen, gebeurtenissen of namen van personen noemt, is prof. Chan in zijn onderzoek te werk gegaan volgens de bibliografische methode. Hij heeft getracht de Tao Te Tjing te dateren aan de hand van de overigens schaarse verwijzingen naar het boek en zijn mogelijke auteur, en van het ontbreken daarvan, in andere al dan niet in hun geheel behouden klassieke Chinese geschriften. Vervolgens heeft hij de schrijfstijl en de gebezigde terminologie vergeleken met die van deze geschriften en een grondige analyse verricht van de geuite ideeën, bezien in het licht van de ontwikkeling van het denken van die tijd.

Hij formuleert het resultaat van zijn onderzoekingen voorzichtig, maar wel concreet, als volgt: "Ik ben zelf van mening dat de Lao-tse de grondgedachten van Lao-tse bevat, maar dat er een lange tijd overheen is gegaan voordat het ergens in de tijd vóór Tjoeng-tse een boek werd. Met andere woorden, de leerstellingen zijn voortbrengselen van de zesde eeuw v.C., maar het boek als zodanig zou van de vierde eeuw v.C. kunnen zijn."

Voor zijn eigenlijke vertaling van de Tao Te Tjing is prof. Chan uitgegaan van zowel de Wang Pi-tekst uit de derde eeuw van onze jaartelling als de wellicht iets oudere zogenoemde Ho-sjang Koeng-tekst. Deze onderling verschillende teksten met hun respectieve commentaren zouden in grote lijnen verantwoordelijk zijn voor de latere filosofische en populaire stromingen in het taoïsme. Beide beïnvloed door het uitheemse boeddhisme, mondde de ene via het neo-taoïsme en versmelting met het confucianisme uit in het neo-confucianisme, en groeide de andere uit, door zich te vermengen met allerlei bijgeloof en wellicht de assimilatie van het mohisme, tot de taoïstische volksreligie. Pas in de zesde eeuw wordt de oorspronkelijke leer weer opgepakt en onderwezen door de eerste patriarchen van het Zen-boeddhisme.

Prof. Chan heeft niet nagelaten zijn conclusies uitvoerig te toetsen aan vele van de honderden studies en commentaren, die vanaf de vroegste tijden in China en later ook in Korea en Japan over deze en andere teksten ontstonden, en van de talrijke sinologische onderzoekingen en vertalingen die in de laatste tweehonderd jaar vooral in het Westen tot stand zijn gekomen. Dit alles blijkt uit de bijzonder gedegen inleiding, het passend commentaar bij elk hoofdstuk, de verscheidenheid van voetnoten en de rijke bibliografie die zijn boek The Way of Lao Tzu uit 1963 sieren.

Toch zegt prof. Chan aan het begin van het voorwoord van zijn boek bescheiden: "Niemand kan China begrijpen of een intelligent wereldburger worden, zonder enige kennis van de Lao-tse , ook wel de Tao Te Tjing genoemd, want deze heeft het leven en denken van China gedurende zijn hele geschiedenis beïnvloed en maakt een wezenlijk deel uit van de wereldliteratuur. Daarom zal elk nieuw licht dat wij erop werpen, hoe weinig ook, van nut blijken."

Prof. Chans The Way of Lao Tzu is overigens een aanzienlijk uitgebreide versie van hoofdstuk 7 van zijn standardwerk A Source Book in Chinese Philosophy . Daarin geeft hij een uitvoerig gedocumenteerd beeld van het Chinese denken van de laatste drieduizend jaar tot en met het eveneens uitheemse dialectisch materialisme van Mao Tse-toeng. Door hoofdstuk 7 om te vormen tot een zelfstandige uitgave onderstreept prof. Chan de belangrijke plaats die de Tao Te Tjing inneemt in het universele streven de diepere zin en bedoeling van het bestaan te begrijpen. Ik heb bij het tot stand brengen van mijn eigen vertolking van de Tao Te Tjing in het Nederlands dankbaar gebruik gemaakt van zijn eruditie en inzicht.

ARTHUR WALEY

Daar prof. Chan deze terecht vaak aanhaalt, heb ik de meer bekende Engelse vertaling van Arthur Waley, zoals die in zijn boek The Way and its Power uit 1934, voorkomt, steeds binnen handbereik gehouden. Deze 'meestervertaler' zoals hij door velen wordt genoemd, beschrijft de opzet van zijn werk als geschiedkundig en filologisch (in tegenstelling tot 'schriftuurlijk' en literair). De proeven voor zijn boek werden indertijd mede gecorrigeerd door de eminente sinoloog Lionel Giles. Er is ongetwijfeld veel van Waley in mijn bewerking terug te vinden, maar de algemene teneur van zijn werk is mij toch niet geheel sympathiek.

In de eerste plaats bestempelt Waley de auteur van de Tao Te Tjing als "quiëtist" en de vermaningen daarin als een manier van leven "niet bedoeld voor gewone mensen", wat velen mét mij wel tegen de borst moet stuiten. Zulks des te meer wanneer hij de dictatoriale legalisten, in wier tijd hij het boek tot stand ziet komen, bij voorkeur "realisten" verkiest te noemen en hen zelfs een zeker bestaansrecht schijnt toe te kennen, niet alleen tegenover het straffe moralisme der mohisten en de ver doorgevoerde ritualistische ethiek der confucianisten, maar ook ten opzichte van dit vermeende "quiëtisme" van Lao-tse. Waley spreekt van de "legendarische quiëtistische wijsgeer Lao Tan en zijn opvolgers", waaronder hij de volgens hem verder anonieme auteur van de Tao Te Tjing rangschikt.

Nog opmerkelijker is het dat het voor Waley zonder meer schijnt vast te staan dat het boek in de tweede helft van de derde eeuw v.C. is ontstaan en wel "gericht aan het grote publiek.. om de lezer gunstig te stemmen ten aanzien van het quiëtisme". Volgens hem is het dus als een soort vlugschrift bedoeld om achteraf de niet ingewijden enigszins vertrouwd te maken met de beginselen van een "quiëtistisch" taoïsme, om te trachten hen tot een bepaalde welwillendheid te bewegen ten opzichte van die beginselen.

Door bovendien voor de dichtvorm te kiezen, zou de volgens Waley anonieme auteur van de Tao Te Tjing teruggrijpen naar "het gebruik van de quiëtisten van de vierde eeuw v.C., wier apocalyptische uitspraken (sic!) deels voor ons bewaard zijn gebleven in de Tjoeang-tse , de Lieh-tse , de Koean-tse en de Hsun-tse ". Deze "vroege taoïstische hymnen" waren volgens hem, behalve dus aanmerkelijk ouder dan de Tao Te Tjing , wél voor ingewijden bedoeld. Hierna zou er sprake geweest zijn van "een periode van taoïstische expansie en propaganda, waarin door middel van fabels en anekdoten de onderwijsmethode tot stand kwam, die typerend is voor de derde eeuw v.C.", een onderwijsmethode echter die steeds volgens Waley, de auteur van de Tao Te Tjing op zijn beurt toch "geheel aflegt", om terug te keren naar de dichtvorm van de vierde eeuw v.C..

Het zijn deze toch wel bijzondere premissen over wat het taoïsme zou inhouden en het tijdstip waarop de Tao Te Tjing tot stand zou zijn gekomen, die wellicht ertoe leiden dat Waley in verscheidene passages reeds de yogatechnieken en seksuele praktijken van de latere taoïstische volksreligie gaat veronderstellen. Hij zal in zijn uitweidingen hierover zelfs de term 'fakirisme' bezigen. Dat het er in de Tao Te Tjing zelf allemaal niet zo duidelijk staat, komt volgens Waley doordat de betreffende passages gezien moeten worden als een soort "geheim vrijmetselaarsteken" met een dubbele betekenis, waarvan de esoterische niet bedoeld is als informatie aan de lezer, maar als "een herkenningsgroet aan mede-taoïsten in wier handen het boek zou mogen vallen". Stellingen zoals deze zijn uiteraard niet te verifiëren en zijn eerder als fantasierijk dan als wetenschappelijk te betitelen.

J. J. L. DUYVENDAK

Na voltooiing van een eerste concept van mijn bewerking, heb ik de invloedrijke Nederlandse vertaling van prof. J.J.L. Duyvendak, Tau Te Tsjing, Het boek van Weg en Deugd , uit 1942, geraadpleegd en mij gebogen over de al te opmerkelijke verschillen tussen zijn alomgewaardeerde conclusies en mijn voorlopige interpretatie. Duyvendaks herschikkingen in de tekst heb ik in gedachten ongedaan gemaakt, overeenkomstig het nawoord van dr. B.J. Mansvelt Beck bij de postume derde druk van zijn werk.

De hierna aangehaalde alinea uit Duyvendaks inleiding tot zijn vertaling toont aan, dat hij in zijn interpretatie van de oorspronkelijke teksten nog veel verder gaat op de syncretistische weg ook ingeslagen door Waley, met wiens vertaling hij zeer vertrouwd was. Duyvendak spreekt op zijn beurt van "moeilijke ascese", "ademgymnastiek" en "seksuele hygiëne" en hij leest magie, alchemie, amoraliteit en "goddelijke dwaasheid" in de Tao Te Tjing , hetgeen een wel zeer vreemd stempel drukt op een boek dat weleens als een van 'boerenwijsheid' beschreven is.

"Het bereiken van een lang leven is een Chinees ideaal, waarop het Tauïsme zich in het bijzonder toelegt. Een moeilijke askese is daartoe nodig. Wij kennen deze uit het latere Tauïsme, maar ook in de Tau-te-tsjing zijn duidelijke aanwijzingen daarvan aanwezig (hoofdst. 52). Een aparte techniek ontwikkelt zich met dit doel. Ademgymnastiek, waarbij men de tsj'i 'lucht, adem, levenskracht' zo intensief mogelijk door het gehele lichaam tracht te doen circuleren, en men, zoals het heet, leert te ademen 'met zijn hielen'. Seksuele hygiëne, waardoor wordt getracht in de vereniging van Yin en Yang de levenskracht te behouden door het sperma in eigen lichaam te doen circuleren. Het zoeken van geneeskrachtige kruiden, die de vitaliteit bevorderen, en alchemie voor het bereiden van de pil der onsterfelijkheid. Tauïstische heiligen, die deze praktijken meester zijn, verwerven de gave van levitatie: zij zweven vrij op de wind rond, en hun lichaam dat, als het ware gedematerialiseerd, niet langer voedsel nodig heeft, wordt onvergankelijk."

ANDERE VERTALINGEN

De ruime bekendheid, die de Tao Te Tjing in ons taalgebied geniet, is echter vooral te danken aan de sterk religieus getinte vertaling van ir. J.A. Blok, De Boodschap van Lau-tze , die in de voetsporen van de negentiende-eeuwse romantiek meer dan zeventig jaar geleden voor het eerst verscheen en waarvan onlangs een nieuwe versie, gedeeltelijk bewerkt door prof. H. van Praag en getiteld Lao-tseu, Tao-Tê-Tjing uitgegeven is. Blok verwijst naar de joodse god Jahwe in zijn commentaar bij hoofdstuk 14. Daarop gaat Van Praag uitgebreid in in zijn inleiding en in zijn toelichting achteraf. Dit is mijns inziens tekenend voor de algehele strekking van hun interpretatie van de bronnen, die vaak vergezocht en onnodig exotisch aandoet. Hierdoor is deze vertaling wellicht tot de even modieuze als ongevaarlijke, verplichte lectuur van velen verworden. De tekst is vaag en zweverig waardoor de lezer zich niet bedreigd voelt in zijn overtuigingen, niet genoopt om deze maar enigszins wezenlijk te wijzigen.

Mijn eigen belangstelling voor het oorspronkelijk taoïsme en het Zen-boeddhisme in het algemeen en voor de Tao Te Tjing in het bijzonder, werd sterk aangewakkerd en beïnvloed door de boeken van Alan Watts, alsmede door de gepubliceerde toespraken van Shree Rajneesh uit het begin van de jaren zeventig. Watts prijst de Engelse vertaling van Ch'u Ta-kao, waaraan hij overigens als jongeman zijn medewerking verleende, en die werd uitgebracht met een voorwoord van de voornoemde Lionel Giles onder de naam Tao Tê Ching in 1937, maar volgt deze vertaling later steeds minder vaak in zijn citaten. Rajneesh citeert vrijelijk op zijn bijzondere, uitdagende wijze uit die van James Legge, zoals die voorkomt onder de naam The Tao Te Ching of Lao Tzu in The Texts of Taoism uit het einde van de vorige eeuw, en die samen met The Canon of Reason and Virtue van de Amerikaan Paul Carus, lang een van de meest verbreide Engelse versies was.

De Engelse vertaling van Lin Yutang, The Wisdom of Laotse , uit 1948, die ook vaak door prof. Chan wordt aangehaald, is mij zeer dierbaar geworden, niet in de laatste plaats om de treffende passages uit de geschriften van Tjoeang-tse die hij in zijn werk heeft opgenomen. De eveneens Engelse vertaling van D.C. Lau verscheen onder de titel Lao-tzu - Tao te ching vrijwel gelijktijdig met die van Chan en wordt door deze niet aangehaald; wel noemt hij in een voetnoot eerder werk van Lau.

De ongetwijfeld degelijke Duitse vertaling van Richard Wilhelm, Laotse, vom Sinn und Leben , uit 1910, heeft veel bekendheid behouden, vooral vanwege zijn gelijktijdige en inmiddels gerenommeerde vertaling van de I Tjing , het oudere en geenszins taoïstische Boek der Veranderingen , waarvan ook de Nederlandse bewerking meermalen in herdruk is gegaan. De I Tjing is ontstaan uit de divinatiepraktijken die vanouds in China in zwang zijn en werd in de derde eeuw door de neotaoïsten van stal gehaald en bij hun gefilosofeer betrokken. Het wordt tegenwoordig over de gehele wereld, vaak als gezelschapsspel voor vermaak en tijdverdrijf, als orakelboek gehanteerd.

De tot hier genoemde en de verscheidene andere vertalingen en bewerkingen van de Tao Te Tjing , die ik even grondig heb geraadpleegd, verschillen wezenlijk van elkaar. De verleiding om aan de overgeleverde teksten te sleutelen is ongetwijfeld altijd heel groot geweest. Ik heb mij hieraan ook schuldig gemaakt, hoewel overwegend binnen de ruimte tot een alternatieve interpretatie die prof. Chan mij in zijn noten bood. Een enkele keer heb ik een geheel eigen lezing van één of meer regels getracht te verwoorden in het vertrouwen dat ik met elke toegewijde student van de Tao Te Tjing deel, dat ik de gedachtenwereld van Lao-tse wat dichter ben genaderd. De lezer van mijn boek doet er goed aan om in dit verband de volgende uitspraak van prof. Fung Yu-lan in zijn A Short History of Chinese Philosophy , uit 1948, in gedachten te houden:

"Voor alle wijgerige geschriften geldt dat het niet eenvoudig is om ze helemaal te begrijpen en ze volledig te waarderen wanneer men niet bij machte is om de oorspronkelijke tekst te lezen. Dit komt door de taalbarrière. De taalbarrière wordt des te groter door de suggestieve aard van de Chinese wijsgerige geschriften. De suggestiviteit van de uitspraken en van de geschriften van de Chinese wijsgeren is nauwelijks weer te geven. Wanneer men deze in vertaling leest, gaat die suggestiviteit verloren, en dit betekent dar er erg veel verloren gaat."

"Een vertaling is per slot van rekening enkel een interpretatie. Wanneer we een regel van bijvoorbeeld de Lao-tse vertalen, geven we onze eigen interpretatie aan zijn betekenis. Maar de vertaling zal misschien maar één gedachte weergeven, terwijl het origineel eigenlijk veel méér gedachten bevat naast die welke de vertaler weergeeft. De originele tekst is suggestief maar de vertaling niet en kan dat ook niet zijn. In de vertaling gaat veel van de rijkdom van de oorspronkelijke tekst verloren."

"Er zijn vele vertalingen van de Lao-tse en van de Gesprekken van Confucius gemaakt. Elke vertaler vindt de vertalingen van anderen onbevredigend. Maar hoe goed een vertaling ook gemaakt wordt, toch zal zij armer zijn dan de oorspronkelijke tekst. Er is een combinatie nodig van alle bestaande vertalingen en van die welke nog gemaakt moet worden, om de rijkdom van de Lao-tse en de Gesprekken in hun oorspronkelijk vorm te onthullen."

 

WAT BEDOELDE LAO-TSE MET TAO?

VERVOLG INLEIDING TOT DE TAO TE TJING ,
DOOR JOHN WILLEMSENS, IN BRES 156 (OKT. 1992) . (HERZIEN)

De titel van de Tao Te Tjing betekent ongeveer: De gezaghebbende verhandeling over de Weg en zijn deugdzame werking . Erdwin Spits vertaalde de titel heel treffend als Het Boek van Trek en Leven . De tekst bevat zo'n 5000 Chinese tekens, later verdeeld over 81 hoofdstukjes. Er bestaan tenminste vier belangrijke Chinese versies en hiervan honderden Westerse vertalingen. De voornaamste Chinese versies zijn die van Wang Pi en die van Ho-sjang Koeng uit het begin van onze jaartelling. Ik heb mijn Nederlandse bewerking gebaseerd op een groot aantal Westerse vertalingen van deze twee Chinese versies, doch vooral uitgaande van de vertaling van prof. Wing-tsit Chan. En niet lang geleden zijn er vertalingen gepubliceerd van twee iets oudere versies pas gevonden in 1973 in het plaatsje Mawangdui. In 1993 is er ook nog in een tombe in de Guodian buurt van Jingmen de z.g. 'Bamboestrippen Laozi' gevonden, met zo'n 31 van de 81 hoofdstukjes. Alle Chinese versies lijken veel op elkaar, maar de Westerse vertalingen zijn vaak erg verschillend. Het Chinees leent zich niet voor een letterlijke vertaling. Het Chinese schrift is samengesteld uit ideogrammen of woordtekens, van pictografische oorsprong, die zich over en weer beïnvloeden. Het woordteken voor tao , dat meestal vertaald wordt als 'weg' of 'baan', is bijvoorbeeld samengesteld uit twee elementen, één dat een hoofd voorstelde en een tweede element dat op beweging duidde. Het woordteken voor te , meestal vertaald als 'deugd' of 'kracht', was oorspronkelijk een pictogram dat beweging met eenheid van oog en hart voorstelde.

Wanneer men de verschillende westerse vertalingen en bewerkingen van de Tao Te Tjing zou gaan vergelijken, moet men daarom niet uit het oog verliezen, dat het Chinese schrift waarin de ons bekende versies van de vermaningen van Lao-tse zo'n tweeduizend jaar geleden hier en daar in oude China zijn opgetekend, dus op zich voor velerlei uitleg vaatbaar is. Hierbij komt nog dat het Chinese schrift geen duidelijk onderscheid maakt tussen zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, en dat het tot voor kort geen leestekens kende. Het is daarom allesbehalve bezwaarlijk om bij de bewerking van een tekst als deze, waarvan een letterlijke vertaling in een moderne westerse taal niet echt mogelijk is, uit te gaan van het reeds door anderen verrichte speurwerk, mits wij over voldoende hoogwaardig vergelijkend materiaal kunnen beschikken om tot een eigen verantwoord oordeel te komen.

De eerste regel van de Tao Te Tjing stelt ons al voor raadsels. Hij zou namelijk woordelijk "Tao kunnen Tao niet eeuwige ( tj'ang ) Tao" luiden en gezien het ideogram tao ook de betekenis 'erover spreken' zou hebben verkregen, wordt de regel meestal vertaald als "Het Tao waarover men spreekt (kan spreken) is niet het eeuwige Tao", of woorden van gelijke strekking. Prof. Duyvendak, bijvoorbeeld, bestrijdt, op zich wellicht terecht, dat Lao-tse het begrip tao als 'spreken' heeft kunnen bezigen, en door tevens een enigszins andere betekenis aan het ideogram tj'ang te geven, komt hij tot een geheel afwijkende interpretatie van deze meest fundamente regel en vertaalt hem als volgt: "De Weg die als ware Weg kan gelden is geenszins een bestendige weg". Ik ben echter van mening dat deze interpretatie geweld doet aan de eenvoudige logica van zowel het eerste als het aansluitende tweede hoofdstuk van de Tao Te Tjing en ons op het verkeerde been zet bij onze verdere tocht door dit wonderlijk geschrift.

Het door de mohisten en confucianisten ten tijde van Lao-tse aangeroepen Tao was een veeleisende hemelse wet, die de eersten door middel van een uitgesproken utilitaristisch zwartekousen moralisme en de laatsten door middel van een even berekenend ritualisme krampachtig trachtten te gehoorzamen. Wat Lao-tse ons meteen in het eerste hoofdstuk van de Tao Te Tjing wil aantonen is dat die strenge hemelse wet van de mohisten en de confucianisten niet het ware, eeuwige Tao kan zijn. Het Tao van Lao-tse is niet anders dan het leven van alledag en kenmerkend voor zijn 'brede weg met weinig kenmerken waarop men makkelijk kan verdwalen als men weinig verstand heeft', is juist zijn impliciete wetmatigheid of bestendigheid die alom in de Natuur te herkennen valt. Prof. Wing-tsit Chan zegt in dit verband: "...het is niet overdreven om te zeggen dat het Tao volgens zekere wetten werkt die constant en regelmatig zijn. Men kan zelfs zeggen dat er een element van noodzakelijkheid is in die wetten, want het Tao gedraagt zich door zijn eigen natuur op deze manier en alle dingen om zich te verwezenlijken moeten ze gehoorzamen. Het Tao is tenslotte de Weg."

Alle definities van het Tao die wij later veelvuldig in het Zenboeddhisme tegenkomen, bevestigen dit beeld. Het ontzag voor het Tao wordt niet afgedwongen door een vermeende duistere en onvoorspelbare almacht van het Tao die alleen door de enkeling op een zonderlinge wijze of door een strenge toewijding te doorgronden is, maar door de verruking om alledaagse dingen zoals 'hout hakken en water halen', waarin wij in alle duidelijkheid Te, de deugdzame werking van het Tao herkennen. Wanneer de Boeddha in de Diamant Soetra tegen zijn discipel Subhuti zegt dat hij 'niet het geringste' uit zijn ontwaken verwierf en het juist hierom 'onovertroffen volledig ontwaken' betreft, kan hij er alleen maar ditzelfde mee bedoelen.

Het Tao, schijnt ook Lao-tse ons te zeggen, ontvouwt zich in zijn volle glorie voor onze ogen en er valt niets te ontdekken achter de verschijnselen dan hun wetmatigheid, hun dharmata , het ene beginsel dat hen bindt. De 'tienduizend' gedaanten van het bestaan en het mysterie van het bestaan zijn beide één, het ene bestaan dat zich als twee, 'zijn' en 'niet-zijn', gedaante en mysterie, voordoet. Het is enkel omdat wij het onzichtbare, het onhoorbare en het ontastbare van het 'niet-zijn' van het bestaan niet verder weten te peilen, waarschuwt hij, dat deze gezamenlijk als één iets worden gezien en het éne onnoembare worden genoemd. Er is zoals bij de Boeddha, bij Lao-tse geen sprake van een scheppende godheid, een schepper der waarneembare dingen achter de schermen. Prof. Chan zegt hierover: "Omdat de drie Chinese woorden respectievelijk als i , hsi en wei worden uitgesproken, zijn zij op één lijn gesteld met Jod , Heh en Vav , de naam Jehova vormend, en met de Hindoegod Ishvara, maar elke gelijkenis is zuiver toevallig. De drievoudige beschrijving suggereert ook niet enige voorstelling van een drievuldigheid. De taoïstische filosofie is in de grond naturalistisch, zo niet atheïstisch, en elk idee van een god is haar vreemd."

Hoeveel wij zien van het geheel en een naam geven , is en zal afhankelijk blijven van de wijze waarop en het doel waartoe wij onze beperkte menselijke vermogens tot waarneming en bevatting inzetten. Verlichting zou niet meer, maar ook niet minder betekenen dat dit ten volste in te zien en zich gaan richten naar de verschijnselen om ons heen, hun 'zijn' en 'niet-zijn' beide, als de enige bron van waarheid, omdat hierin en niet elders , alle geheimen van het bestaan liggen besloten. Inzicht in hun wetmatigheid en het vertrouwen in de redelijkheid van het bestaan dat dit inzicht meebrengt, zullen ons van ons lijden verlossen, ons voor alle gevaren behoeden. De verlichte ontwaakt uit zijn droomwereld vol wensen en verwensingen en 'het land waar het nooit warm of koud is' is voortaan daar, waar hij 'in de zomer zweet en in de winter huivert', of zoals er staat in de volgende uitspraak van Shree Rajneesh, die Ma Prem Hasya mij in de nadagen van Rajneeshpuram namens haar meester toestuurde: "De waarheid waarover ik spreek is een gevoel van blijdschap in je hart. Het heeft niets te maken met logisch denken of wijsheid. Het heeft te maken met een transformatie van je meest innerlijke kern. Het is wanneer je wezen begint te bonzen en te kloppen in harmonie met het bestaan.. wanneer er geen dissonantie meer is tussen jou en het geheel.. wanneer je zo afgestemd bent op het geheel dat jij er niet meer bent, maar enkel het geheel er is."

Het streven waarin de verlichte meesters aller tijden ons voorgaan, is het 'niet-twee' van Nirvana-is-Samsara te bereiken en de brug die zij ons voorhouden is er een van diepe liefde voor de dingen zoals ze zijn, een van diep vertrouwen in hoe dit wonderlijk bestaan zich hier en nu voltrekt in en om ons heen. Hun leer is niet een verlossingsleer maar integendeel een van onvoorwaardelijke verzoening met de werkelijkheid. Lao-tse's liefde en eerbied voor het bestaan in zijn totaliteit vormen de gulden draad die door zijn werk loopt. Anupalambha , non-confrontatie met de realiteit om ons heen, is de kwintessens van de Middenweg verkondigd door de Boeddha. De joods-christelijke overlevering leert ons dat Adam door 'ongehoorzaamheid' zijn plaats in het Paradijs verspeelde en dat de 'tweede Adam' zich aan het kruis pas werkelijk aan de wil Gods onderwierp.

Wat echter onbeschrijfbaar moet blijven in de oosterse filosofieën in hun meest zuivere vorm, dat wil zeggen onbezoedeld door filosofische haarkloverij of bijgeloof, is de onnoembare 'leegte' voorbij het bestaan. Het is deze niet te omschrijven of te beschrijven leegte die Lao-tse 'noodgedwongen' het eeuwige of ware Tao noemt. Zij is de 'vorm zonder vorm' die het bestaan voortbrengt dat zich als natura naturans manifesteert in het spel, in de dans der tegenstellingen. Deze leegte voorbij het bestaan dient beslist niet te worden gelijkgesteld met het begrip 'niet-zijn', waarmee Lao-tse enkel het voor ons niet of nog niet waarneembaar aspect van het bestaan bedoelt. Wellicht pas bij Wang Pi wordt 'niet-zijn' fundamenteler dan 'zijn' en vindt de vereenzelviging van 'niet-zijn' met het Tao, de leegte, plaats; hij geeft aan de Tao Te Tjing een metafysische dimensie, die haar wezenlijk vreemd is.

Lao-tse ziet het bestaan als voortkomende uit de bodemloze diepte van een ledig vat, als een indrukwekkende onophoudelijke stroom van gebeurtenissen die elkaar mutatis mutandis golvend opvolgen en overlappen. Hij beschrijft het Tao als de onsterfelijke geest van het dal, een wonderlijke vrouw uit wier poort het beginsel van hemel en aarde voortdurend vloeit. Het is daarom niet het door de leegte voortgebrachte bestaan, maar de 'tienduizend dingen' die het bestaan op zijn beurt voortbrengt die onderhevig zijn aan 'zijn' en 'niet-zijn'. De 'poort' waaruit het bestaan onafgebroken vloeit kent immers als zodanig geen onderbrekeningen, geen 'zijn' en 'niet-zijn'. Het zijn uitsluitend de afzonderlijke dingen die het bestaan voortbrengt welke terugkeren naar de rust van het 'niet-zijn' wanneer hun inbreng volbracht is. De voortgang van het Tao, stelt Lao-tse, stoelt op die 'terugkeer' naar zijn schoot der dingen. Met 'zwakte' of 'overgave', die volgens Lao-tse de werking van het Tao is, moet hij het vergaan en zich oplossen in het 'niet-zijn' der afzonderlijke dingen bedoelen, dat hij weer elders vergelijkt met de terugkeer, met het terugvloeien van de stromen en rivieren naar zee.

Lao-tse zet zijn kosmologie duidelijk uiteen in hoofdstuk 42. Het Tao, stelt hij in deze uiterst belangrijke en dus veelbesproken passage, veroorzaakt het bestaan (het Ene). Het bestaan op zijn beurt veroorzaakt het bestaande dat zich aan ons voordoet in zijn twee aspecten yang en yin , d.w.z. hemel en aarde, mannelijk en vrouwelijk, licht en donker, zijn en niet-zijn, enz (de Twee). Deze twee aspecten roepen elkaar als het ware op , zoeken hun evenwicht en veroorzaken tezamen de derde dimensie waardoor het geheel meer dan de som der delen blijkt, de kracht of tj'i waardoor 'wij' meer dan jij en ik is (de Drie). Deze drie, deze triniteit van jij en ik en de kracht die ons bindt, door hun vereniging, eenwording en onderwerping aan het bestaan, het Ene zoals door het Tao bedoeld en voortgebracht, veroorzaken het onstaan der tienduizend dingen, het worden van het Tao.

 

 

DE TAO TE TJING VAN LAO-TSE

 

 

 

Homepage Sangha Reiki