HET TIBETAANS DODENBOEK

ALGEMENE INLEIDING

De Bardo Thötröl is een beroemd Tibetaans-boeddhistisch geschrift dat inzicht geeft in de stadia van de geest tijdens en na het stervensproces. Daarin legt het de nadruk op de geestelijke vermogens tot projectie, waardoor deze 'levensfase' bijvoorbeeld angstaanjagend of juist vredig kan zijn.

Vlak na de dood kunnen deze projecties sterke vormen aannemen, omdat het bewustzijn niet meer door middel van het lichaam geaard is. Dit geschrift leert ons deze vormen te onderkennen en geeft ook van de verschillende stadia de evenzovele wegen aan om tot verlichting te komen.

Traditioneel werd deze eeuwenoude tekst hardop voorgelezen aan de stervende om hem te helpen bevrijding te bereiken. Deze vertaling benadrukt de praktische raad die het boek ook aan de levenden biedt.

Chögyam Trungpa heeft met een prachtig commentaar de tekst toegankelijk gemaakt voor de hedendaagse lezer. Hij is daarin niet alleen de inzicht gevende spirituele leraar, maar ook kenner van de psychologie van de mens.

Dit boek is van belang voor hen die zich met het stevensproces bezig houden, alsmede voor hen die spiritueel inzicht in het leven van alledag trachten te verwerven.

Het ‘Tibetaans Dodenboek’ of Bardo Thodol is onderdeel van een verzameling van honderden teksten, in Tibet bekent als ‘De Natuurlijke Bevrijding door op de Vreedzame en Toornige Boeddhavormen te Mediteren’ (of ‘De Kringloop van de Vreedzame en de Toornige Godheden'). Naast teksten over de drie overgangsfasen (Bardo’s) van het sterven en wedergeboorte bevat de verzameling beschrijvingen van de drie andere overgangsfasen: het leven, de droom en meditatie.

Tibetaans Dodenboek is de naam die in de westen gegeven is aan de vertaling van een deel van deze teksten, n.l. het deel over sterven en wedergeboorte. Tibetanen kennen deze als ‘Het Grote Boek van Natuurlijke Bevrijding door te Begrijpen in de Tussenstaat’ (of ‘De Grote Bevrijding door Horen in de Overgangsfase van de Dood’. Tibetaans: Bardo Thödol ).
Het Bardo Thödol werd na eeuwenlange mondelinge overgeleverd te zijn, in de achtste of negende eeuw samengesteld door de Indiase mysticus Padmasambhava en op schrift gesteld door zijn partner Yeshe Tsogyal.

De toestand die we dood noemen, wordt beschreven vanaf de eerste ervaringen tijdens het sterven tot aan het moment waarop een nieuwe incarnatie plaatsvindt, uiterlijk negenenveertig dagen later.
Traditioneel werd deze eeuwenoude tekst hardop voorgelezen aan de stervende om hem de weg aan te geven om tot verlichting of tot een gunstige wedergeboorte te komen. Het Bardo Thödol helpt vermogens te ontwikkelen, die nodig zijn om de crisis van het sterven met vaardigheid en vertrouwen door te komen, waardoor deze levensfase niet als angstaanjagend, maar juist als vredig kan worden ervaren.

Omdat alle visioenen en archetypische manifestaties die zich aan een overledene kunnen voordoen, projecties zijn van diens eigen geest, zijn de gedetailleerde beschrijvingen daarvan in het Bardo Thödol zeer specifiek voor degenen die bepaalde Nyingma-beoefening volgen. Zelfs niet alle Tibetanen ervaren noodzakelijkerwijs dus dezelfde visioenen, laat staan dat zoiets bij westerlingen het geval zou zijn.
Het Bardo Thödol leert dat de doodservaring deel uit maakt van de zin van het leven, niet als ongewild feit, eens, in de toekomst, maar als een voortdurend bewust en bereid-zijn, waardoor leven pas werkelijk mogelijk wordt.


Carl Gustav Jung noemde het Tibetaanse dodenboek van een ongeëvenaarde superioriteit, alleen al wat betreft de psychologie ervan.

De Bardo Thödrol, is het bekendste en meest mysterieuze boek van Tibet, wijd en zijd bekend. Velen beginnen eraan, maar weinigen lezen het helemaal uit. Zoals een hoge bergtop die door velen bewonderd wordt, maar moeilijk te beklimmen is. De bedoeling van dit artikel is de hoogten toegankelijker te maken. De Bardo Thödrol is een van de schatten of ‘termas’ die Padmasambhava, de Indiase leraar die het boeddhisme in Tibet introduceerde, verborg in grotten en in de gedachten van zijn toekomstige discipelen. Hij leerde over drie van de zes bardos ofwel toestanden van samsara, de cyclus van leven en sterven. Alle zes zijn het overgangsstadia, de een leidt natuurlijk en onvermijdelijk tot de volgende, behalve als dit process onderbroken wordt doordat verlichting gebeurt.
Drie van de zes bardos zijn toestanden in het leven: wakker zijn, de slaap en droom toestand en de meditatieve toestand (Karma-glin-pa 169). Deze drie beginnen met de geboorte en eindigen met de dood. De drie bardos besproken in het Tibetaans boek van leven en sterven, daarentegen, beginnen met de dood en eindigen met wedergeboorte. Deze drie bardos van de dood worden de bardo van helder licht, de bardo van schijnende waarheid of realisatie van Werkelijkheid en de bardo van worden, genoemd.
Het meest waarschijnlijke tijdstip om spontaan verlichting te bereiken en het proces van overgang van de ene bardo naar de andere te onderbreken, is tijdens de ‘natuurlijke bevrijding’ ofwel de dood. Om die reden schreef Padmasambhava zijn handleiding voor degenen die recent overleden zijn, om aan hen negenenveertig dagen voor te lezen. Maar het is ook bedoeld om de lezer te instrueren. Elk deel begint met zoiets als “O gij van bevoorrechte geboorte, maak gebruik van uw mogelijkheden en gebruik uw goed onderwezen mentale krachten om werkelijke vrijheid te verkrijgen!” De tekst van de eerste bardo wordt drie tot vier dagen voorgelezen, de tweede twee weken lang en de derde eenendertig dagen lang. Opgeteld zijn dit negenenveertig dagen dat het boek overdacht en voorgelezen moet worden door de levenden voor de gestorvene. Er wordt gezegd dat de precieze tijd die de overledene in elke bardo doorbrengt nogal varieert, afhankelijk van het individu.

 

De eerste bardo:

grond realiteit of helderheid
De ervaring van de eerste bardo, de chikhai bardo, onmiddelijk na de dood, wordt beschreven als helder licht, de ervaring van de oorspronkelijke staat die nooit geboren is en nooit dood gaat. “De grond realiteit van alles is open, leeg en naakt als het luchtruim. Lichtgevende leegte zonder centrum of omtrek ... verschijnt (Sogyal 259). Deze toestand komt als een totale en onverwachte verassing voor de meeste mensen, die in een zwijm door haar licht gaan, onbewust dat het heldere licht hun eigen meest innerlijke essentie en de Grond van hun Wezen is, en dat het niets bevat dat zou kunnen veroorzaken dat het sterft. De Dalai Lama schrijft in zijn boek Dzogchen over Helder Licht, Ati Yoga (Adi in de theosofische traditie, het eerste of goddelijke niveau), en de Grote Volmaaktheid.
Openheid cultiveren voor deze toestand via meditatieve oefening maakt het waarschijnlijker dat, op het moment van uiteindelijke waarheid en gelegenheid, we het licht zullen kunnen zien, herkennen en ons er mee kunnen identificeren, ons realiserend dat we Dat zijn. Het Tibetaans boek van leven en sterven maant ons om de kans te grijpen door te denken, “Ik ben aangekomen op het moment van de dood, dus nu, door middel van de dood, zal ik alleen de houding aannemen die grenzeloos als de ruimte is, een verlichte toestand van denken, vriendschappelijkheid en compassie is en volmaakte verlichting bereiken voor alle bewuste wezens.” (Fremantle en Trungpa 84-5)
Om ons voor te bereiden op deze unieke kans, is het verstandig om voortdurend te bedenken en de gedachte te versterken dat de essentie van geest even onbeperkt en leeg is als de nachtelijke hemel zonder sterren of melkwegstelsels; het is zonder grens of plaats, zonder punten van licht. “Maar deze bewustzijnstoestand is niet slechts een leeg niets, het is zonder obstakels, sprankelend, zuiver en helder ... Onsterfelijk Licht.”(Fremantle en Trungpa 86-7). Het dramatische en traumatische loslaten van dat wat we denken dat we zijn – alle gedachten, emoties, interesses, relaties, wat we bereikt hebben, voorkeur en afkeur – brengt ons terug tot onze zuivere, naakte essentie. Op het moment dat de Boeddha verlichting bereikte, bracht het een bijna totale herinnering van alle duizenden levens die hij geleefd had en stervensprocessen die hij meegemaakt had. De lucht, dag of nacht, is een grote leraar van de uiteindelijke realiteit, een realiteit waarin we gevormd worden, waarin de zon leeft, een perfecte voorstelling van onze eigen innerlijke essentie. “Ruimte is een Entiteit”, schreef H.P. Blavatsky en dit wordt uit de eerste hand ervaren op het moment van de dood, iedereen heeft die mogelijkheid.
De eerste bardo van de Grond heeft twee fasen. De eerste wordt het opkomen van het oorspronkelijke witte licht, de natuur van de Grond Realiteit genoemd, ook wel Moeder Glans of Moeder Realiteit, gezien op het moment van sterven. De tweede is de Secundaire Glans, ofwel Kinder Glans, onmiddelijk na de dood gezien. Robert Thurman (130) beschrijft dit als het “schijnbare heldere licht, doorzichtig maar nog steeds gefilterd door concepten.” De Dalai Lama (Varela 208) heeft gezegd dat het heel waarschijnlijk is dat het heldere licht van de bijna dood ervaring een exacte kopie is van het heldere licht.

 

De Tweede Bardo:

Visioenen van Goden
Als we het primaire of secundaire heldere licht van ons eigen bewustzijn in de eerste bardo niet herkennen, zakken we af naar de tweede bardo, de chonyid bardo, die minder abstract is. Het is tweezijdig: een week visioenen van fantastische, goede goden en de tweede week dezelfde goden in hun wraakzuchtige vorm. Beide gebeuren in vijf groepen of families van schitterende kleuren. Dit is de centrale mandala van de Boeddhistische meditatie, geordend als vijf cirkels die verschijnen in het centrum, het oosten, het zuiden, het westen en het noorden van het hart. Visualisatie van de primaire cirkel van het hart zal helpen het volgende te begrijpen.
Het verschijnen van de godheden, de Dhyani Boeddhas, in hun positieve aspecten, tijdens zeven dagen, is extra interessant voor bestudeerders van De Geheime Leer en de theorie van de zeven stralen. H.P. Blavatsky schrijft dat de “Dhyani-Boeddha’s, of Dhyan-Chohans” dezelfde zijn als de “Elohim of Zonen Gods, de Planeetgeesten van alle landen” (8) en de aartsengelen (23). Deze zijn verbonden met de “zevenvoudige hierarchie van bewuste Goddelijke Machten ... de ontwerpers, vormers, en uiteindelijk de scheppers van het hele gemanifesteerde universum; ... zij bezielen en leiden, zij zijn de intelligente Wezens die de evolutie aanpassen en controleren ... Als groep zijn ze bekend als Dhyan Chohans”(15-6). Ze zijn verwant aan de Bijbelse zeven “dagen” van de schepping, de “Zeven Scheppingen” van de Purana’s, en de zeven stanzas van het boek van Dzyan, die de “zeven grote stadia van het evolutionaire process” beschrijven. Elke familie brengt haar eigen entourage van Bodhisattva’s met zich mee, die H.P. Blavatsky definieert als “de menselijke tegenhangers van de Dhyani-Boeddha’s.” De Dhyani Boeddha’s en hun bodhisattva’s verschijnen alle in zowel mannelijke als vrouwelijke vorm, met hun wijsheidsleringen en hun goddelijke attributen. Blavatsky schrijft ook nog, “Esoterisch, daarentegen, zijn er zeven Dhyani-Buddha’s, waarvan er vijf gemanifesteerd zijn, .. twee zullen komen in het Zesde en Zevende Wortel Ras.” (55)
Sogyal Rinpoche’s book Het Tibetaanse boek van leven en sterven en zijn traditie zijn onmisbaar bij de diepere studie van deze bardo, ook wel de dharmata of “Intrinsieke Glans” genoemd en gedefinieerd als “de intrinsieke natuur van alles, de essentie van de dingen zoals ze zijn ... de naakte, ongeconditioneerde waarheid, de essentie van realiteit, of de werkelijke natuur van fenomenaal bestaan.” (274) Rinpoche schrijft dat deze bardo kan “langsflitsen als een bliksemflits; je zult nauwelijks weten wat er gebeurd is,” tenzij je voorbereid bent. Als je dat bent, dan verschijnt helderheid als een “vloeiende trillende wereld van geluid, licht, en kleur” als een luchtspiegeling; dit is de “spontane verschijning van Rigpa, de simpele stralen en kleuren beginnen te integreren en komen samen in punten of ballen van licht” die zich ontrollen vanuit het hart. Deze worden tiklés of bindus genoemd. Uit deze punten van licht komen de visioenen van eenheid met de goden, jouw hart één met het hunne. Ontelbare lichtende bollen verschijnen in hun stralen, die zich vergroten en dan “oprollen,” op het moment dat de goden zich in jou oplossen. Dan komt de voorstelling van de vier wijsheidsleringen in een dramatisch vertoon van kleden, ballen, en baldakijnen van gekleurde lichten. Elke mogelijkheid wordt getoond, van wijsheid en verlichting, tot verwarring en wedergeboorte. “Het hele visioen lost dan weer op in haar oorspronkelijke essentie, zoals een tent inelkaar stort als de scheerlijnen doorgesneden worden” (276-8).
Als voorbeeld van de taal die in het Tibetaans boek van leven en sterven gebruikt wordt: de eerste dag van de grote visioenen daagt met “de lichtstraal van de gezegende Vairochana’s mededogen” emanerend vanuit het centrum van het hart, het Centrale Rijk, de oorspronkelijke manifestatie waar al het andere uit voort kwam. “De hele Ruimte zal schijnen met een blauw licht ... helder, brilliant, heel scherp en blauw licht van opperste wijsheid ... zoek er uw toevlucht in” (Fremantle en Trungpa 96-7).
De vijfvoudige verzameling waaruit het menselijk lichaam is opgebouwd, de skanda’s (vijf hopen), heeft hier ook haar wortels. Elk van de skanda’s wordt geassocieerd met de verschijning van een van de Dhyani Buddha families en wijsheidsleringen, en elk bevat een “gif,” ontstaan vanuit de identificatie met het afgescheiden bestaan. Deze vergiften zorgen ervoor dat de mens van elke archetypische godheid wegrent, inplaats van ernaar toe. Op die manier rent hij elke keer weer naar wedergeboorte in plaats van naar verlichting. De vijf wijsheden en de vijf vergiften, of blokkerende menselijke eigenschappen, laten in combinatie zien wat de relatie is tussen de goddelijke vonk en het menselijke dier in al zijn fantastische en verschrikkelijke schoonheid – van dier naar levende God, zoals Blavatsky zei.
De zeven dagen van het hart kunnen als volgt samengevat worden (Fremantle en Trungpa 92-133):

Dag 1: Centraal Zaden Rijk, oneindige wijsheid, het gif van oneindige onwetendheid, de skanda of het geheel van bewustzijn, blauw.
Dag 2: Oostelijk Rijk van Complete Vreugde, wijsheid als een spiegel, het gif van haat en agressie, de skanda van vorm, wit.
Dag 3: Zuidelijke Glorieuze Rijk, wijsheid van gelijkheid, het gif van trots, de skanda van gevoel, geel.
Dag 4: Westerlijke Heerlijke Rijk, onderscheidingsvermogen, het kennen van echt en onecht, het gif van verlangen en lust, de skanda van waarneming, rood.
Dag 5: Noordelijke Rijk van Opgebouwde Handelingen, de wijsheid van het volbrengen van handelingen, het gif van afgunst, de skanda van concepten, groen.
Dag 6: Alle vijf families samen, met hun wijsheden, skanda’s en vergiften, met daarbij de beschermers van de poort zoals Yamantaka, de Vernietiger van de Dood, al met al 42 godheden.
Dag 7: Het rijk van zuivere ruimte, het opkomen van de vijf families van Adepten-kennis vasthoudende goden, die nu gaan naar de keelchakra, met de heren en dakini’s van dans en vele anderen, die verschijnen als niet bijzonder vredelievend, niet bijzonder angstaanjagend. Dit leidt tot de eerste dag van het opkomen van de wraakzuchtige godheden.

De tweede week van visioenen, die in negatieve beelden verschijnen, worden beschreven met afschrikwekkende bijvoegelijke naamwoorden. Ze verschijnen niet uit het hart, maar uit het brein. Deze goden worden vaak beschreven als “bloed drinkend,” symbolisch voor de dorst naar leven die in Samsara, de wereld van verschijnselen, overheerst. Padmasambhava herinnert ons er herhaaldelijk aan dat de Buddha Herukas (of wraakzuchtige vormen) dezelfde energiën zijn die we eerder zagen, alleen dan in hun negatieve toestand. Dit aspect van de verlichte families – een nieuwe betekenis gevend aan de vijf families die even beroemd zijn als de Godfather – kan goed gebruikt worden om alle obstakels naar vreugde (bliss) en verlichting op te heffen, of het nu gaat om onwetendheid, verlangen, versluieringen, verdraaiingen, “sluiers,” of wat ook verlichting in de weg staat. Ze zijn bewapend met “wijsheidswapens” voor het verslaan van lijden, zoals stroppen, zwaarden en bijlen. Samuel Johnson herinnert ons eraan dat er niets geschikter is dan een strop om concentratie te oefenen.
Evens-Wentz (133n) vergelijkt de wraakzuchtige figuren met de “wachter op de drempel.” Een voorbeeld moet voldoende zijn: Nu, op de achtste dag, zullen de bloed drinkende wraakzuchtige goden verschijnen. Herken hen zonder afgeleid te worden.” De “Glorieuze, Grote Boeddha-Heruka zal vanuit uw brein verschijnen,” het centrale deel, “zijn negen ogen staren in de jouwe met een wraakzuchtige uitdrukking. Zijn wenkbrouwen zijn als bliksemflitsen.” Hij maakt “luide en fluitende geluiden ... zijn hoofden zijn bekroond met gedroogde schedels en de zon en de maan.” Zijn zes handen houden een wiel, een bijl, een zwaard, een bel, een ploegschaar en een schedelbeker vast. (Fremantle and Trungpa, 140). Na twee weken boeddha’s en boeddha heruka’s, komt men terug in de bardo van wording.

 

De Derde Bardo:

De Bardo van Wording
De ervaring van de dood betekent voor de meeste mensen tijdens de eerste twee bardo’s een toestand van vergetelheid, en een wakker worden wanneer “lucht en aarde zich scheiden” en al onze gewoonte neigingen geactiveerd en weer wakker worden. We zijn nu in de volle complexiteit van verschijnselen en ontmoeten een veelvoud van echt lijkende vormen en gebeurtenissen. De derde bardo overbrugt de tijd tussen het opnieuw wakker worden van zelfbewustzijn en het ingaan in de baarmoeder van het volgend leven. Het ontstaat door ons falen de twee eerdere bardo’s te herkennen als de werkelijke essentie van bewustzijn. Deze derde en langste bardo wordt de sipa bardo genoemd, de bardo van worden en bestaan – het bestaan van een mentaal of bardo lichaam en het innerlijke bestaan van bewustzijn. Het is in deze bardo dat het verschil tussen de Tibetaanse lering en de Theosofische Lering het meest duidelijk is. De eerste ontmoedigt comfort waar dan ook als onderdeel van haar boodschap van verlichting. De tweede benadrukt de continuiteit van bruikbaarheid, leerlingschap, groei en dienst.

Het mentaal lichaam
De voornaamste eigenschap van het derde bardo is de dat het denkvermogen een fundamentele rol speelt; dit heeft weer een lichaam, een mentaal lichaam, met veel grotere helderheid dan in levende toestand en een ongelimiteerde bewegingsvrijheid, slechts beperkt door gewoonte neigingen uit het verleden. Dit stadium is het tegenovergestelde van ontbinding. Hier begint al het mentale dat bij de dood ontbonden was, weer te verschijnen, zoals de bewustzijnstoestanden van onwetendheid, verlangen en boosheid. De herinnering aan karma uit het verleden is nog vers en een mentaal of bardo lichaam ontstaat. Dit is als het ware je Brigitte Bardo lichaam.
“ We ontmoeten en praten tijdens korte momenten met vele andere reizigers in de bardo wereld, zij die voor ons gestorven zijn,” schrijft Sogyal (289). We hebben er helderziende vermogens, zoals spoken die hebben, en er wordt gezegd dat we de sexe en culturele identiteit behouden van ons vorig leven. Dat wat eerder gedacht en gedaan werd, gaat door. Ons wordt geadviseerd gehechtheid aan mensen en bezittingen op te geven. Verlang niet naar een lichaam. Houd je verlangens, boosheid, vijandigheid en angst in, maar ontwikkel liefde en mededogen. Tenslotte kan het bardo lichaam niet vernietigd worden. Welke angstwekkende dingen er ook gebeuren, het mentaal lichaam heeft geen fysiek brein en kan niet overwonnen worden. Net als in een droom kun je weliswaar angst en verschrikking ervaren, maar ze lossen snel weer op en je bent zoals je was: de dromer en ontwerper van je eigen wereld. “Al deze zijn niets meer dan je eigen verwarde projecties, in essentie leeg en zonder substantie,” zoals het bardo lichaam dat zelf ook is. “Leegte kan leegte geen pijn doen.” (Sogyal, 294)

Terugkijk op het leven en oordeel
Er komt een intens terugkijken op het vorig leven. Ervaringen worden opnieuw doorleefd. Miniscule details die al lang vergeten waren worden bekeken en plekken waar men leefde worden opnieuw bezocht. (Sogyal 290) Dan wordt er geoordeeld. “Je goede geweten, een witte beschermengel, treedt op als je advocaat... terwijl je slechte geweten, een zwarte demon, de rol van openbare aanklager op zich neemt. De ‘Heer van de Dood,’ die voor zit, kijkt in de spiegel van karma en oordeelt ... Uiteindelijk vindt al het oordelen plaats in ons eigen bewustzijn. Wij zijn zowel rechter als aangeklaagde” (Sogyal 292) Zij die bijna-dood ervaringen hebben doorgemaakt, vertellen dat de uiteindelijke vraag is: “Kan je jezelf vergeven?” De berechtingsprocedure omvat het ervaren van het effect dat we op anderen gehad hebben, door gedachte, woord en daad.

Wedergeboorte
Naarmate het moment van wedergeboorte naderbij komt, wordt het verlangen naar een lichaam sterker. Verslaving aan begeerte uit het verleden komt weer terug. Omdat het mentaal lichaam de vijf elementen in zich heeft, kan het hunkeren naar voedsel en plezier en gaat het waar deze aanwezig zijn. Opnieuw is er verlangen naar een fysiek lichaam en begint de zoektocht naar een mogelijkheid om herboren te worden. Het toekomstige leven heeft langzaam meer invloed dan het vorige leven.
Op dit punt worden instructies gegeven om de ingang naar de baarmoeder te sluiten. “Denk weerstand,” wordt ons gezegd. “Op dit moment zullen beelden van mannen en vrouwen die de liefde bedrijven opkomen. Als je hen ziet, kom dan niet tussen hen in, maar herinner je eraan te mediteren op de man en de vrouw als de guru en zijn gezellin.” Een andere methode is afkeren van “passie en agressie.” “Als je als man geboren zult worden, zul je jezelf ervaren als man, en geweldadige agressie voelen voor de voor en jaloezie en verlangen naar de moeder. Als je als vrouw geboren zult worden, gebeurt het omgekeerde. Dit zal er voor zorgen dat je het pad opgaat dat naar de baarmoeder leidt, en je zult een opzichzelf staande extase voelen op het moment dat ovum en sperma elkaar ontmoeten. (Fremantle en Trungpa 201-2). Deze overeenkomst met het lot van koning Oedipus is een van vele overeenkomsten met het klassieke Griekse gedachtegoed.
Wat volgt is een gruwel voor de meeste westerlingen: “Je zult je ogen openen en je bent een jonge hond,” een voorbeeld van het boeddhistische geloof in de loka’s, of de zes vormen van bestaan mogelijk op dit moment: een god, een semi-god, een mens, een dier, een hongerige geest, of een helwezen. Het wijdverspreide geloof in zo’n transmigratie onder Hindus en Buddhisten wordt niet gedeeld door de meeste hedendaagse westerlingen, die de Theosofische Traditie volgend, de theorie van karma en reincarnatie combineren met het geloof in evolutie.

Het kiezen van een baarmoeder
Als de instructies om de ingang tot de baarmoeder te sluiten niet succesvol waren, dan is het tijd om wedergeboorte te aanvaarden, een “menselijke baarmoeder te kiezen,” op een van de vier continenten, waarvan op slechts een de dharma bloeit. Het Tibetaans boek van leven en sterven besluit met het advies: “het boek hardop te lezen en te overdenken,” omdat het een “diepgaande instructie is die bevrijding brengt door gezien, gehoord en gelezen te worden.” Carl Jung (in Evan-Wentz) suggereert het boek van achter naar voren te lezen, wat de manier is om in ons bewustzijn tot onze bron terug te keren.

Bronnen
Blavatsky, Helena Petrovna. An Abridgement of “The Secret Doctrine.” Ed. Elizabeth Preston and Christmas Humphreys. Wheaton, IL: Theosophical Publishing House, 1968.
Dalai Lama XIV (Bstan-‘dzin-rgya-mtsho). Dzogchen: the Heart Essence of the Great Perfection. Ithaca, NY: Snow Lion, 2000.
Evans-Wentz, W. Y., ed. The Tibetan Book of the Dead; or, The After-death Experiences on the Bardo Plane. 3rd ed. New York: Oxford University Press, 1960.
Fremantle, Francesca, and Chögyam Trungpa. The Tibetan Book of the Dead: The Great Liberation through Hearing in the Bardo. Boston, MA: Shambhala, 1992.
Sogyal, Rinpoche The Tibetan Book of Living and Dying. San Francisco: HarperSanFrancisco, 1992.
Karma-glin-pa and Padmasambhava, with commentary by Gyatrul Rinpoche. Natural Liberation: Padmasambhava’s Teachings on the Six Bardos. Boston, MA: Wisdom, 1998.
Thurman, Robert A. F., ed, The Tibetan Book of the Dead: The Great Book of Natural Liberation through Understanding in the Between. New York: Bantam, 1993.
Varela, Francisco J., ed. Sleeping, Dreaming, and Dying: An Exploration of Consciousness with the Dalai Lama. Boston: Wisdom, 1997.

Belangrijkste verzen van de zes bardo's

Nu dan de bardo van geboorte over mij daagt,
Zal ik gemakzucht, waarvoor in het leven geen tijd is, achter mij laten,
Het pad zonder zijwegen van studie, overweging en meditatie betreden,
Mijn projecties en geest tot pad maken, en de drie kaya's verwezenlijken;
Nu ik dan eenmaal een menselijk lichaam heb gekregen,
Is er op het pad voor de geest geen tijd om te dwalen.

Nu dan de bardo van dromen over mij daagt,
Zal ik de doodse slaap van zorgeloze onwetendheid achter mij laten,
En mijn gedachten hun natuurlijke staat laten bereiken zonder te worden afgeleid;
Dromen beheersend en omvormend tot helderheid,
Zal ik niet slapen als een dier,
Maar slaap en beoefening volledig tot één maken.

Nu dan de bardo van samadhi-meditatie over mij daagt,
Zal ik de talloze afleidingen en verwarringen achter mij laten,
En rusten in onbegrensde staat, zonder begeerte of onderbreking;
Standvastig in de twee beoefeningen: visualisatie en volledige beoefening:
In deze tijd van meditatie, eenpuntig, vrij van activiteit,
Zal ik niet in de macht van verwarde emoties vallen.

Nu dan de bardo van het ogenblik voor de dood over mij daagt,
Zal ik alle hebzucht, verlangen en gehechtheid achter mij laten,
Onafgeleid in het heldere gewaarzijn van de leringen ingaan,
En mijn bewustzijn uitstoten in de ruimte van ongeboren geest;
Terwijl ik dit samengestelde lichaam van vlees en bloed verlaat,
Zal ik weten dat het een voorbijgaande illusie is.

Nu dan de bardo van dharmata over mij daagt,
Zal ik alle gedachten vaan vrees en verschrikking achter mij laten,
Zal ik wat er zich ook voordoet als mijn eigen projectie onderkennen,
En weten dat het een visioen van de bardo is;
Nu ik dan dit beslissende punt heb bereikt,
Zal ik de vredige en de toornige godheden die mijn eigen projecties zijn niet vrezen.

Nu dan de bardo van wording over mij daagt,
Zal ik mijn geest eenpuntig richten,
En er naar streven de verworvenheden van goed karma voort te zetten,
De ingang tot de moederschoot afsluiten en in gedachten weerstand bieden;
Dit is de tijd waarop volharding en zuivere gedachten van node zijn,
Laat afgunst los, en mediteer over de goeroe met zijn gezellin.

Met gedachten ver van hier, niet denkend aan de komst van de dood,
Allerlei zinloze bezigheden verrichtend,
Nu met lege handen terug te keren, dat zou volledige verwarring betekenen;
Nodig is onderkenning, heilig dharma,
Moet daarom niet juist de dharma worden beoefend?
Uit de mond van siddha's komen deze woorden:
Wie de leringen van de goeroe niet in zijn hart bewaart,
Is die niet doende zichzelf te misleiden?


Uit 'Kringloop van bardo's'

Helaas! Nu wordt de bardo van de geboorte een feit voor mij.
De luiheid laat ik achter mij; daarvoor is er in dit leven geen tijd.
Ik sla nu de weg in van het onverstrooide luisteren, overdenken en mediteren.
Alles wat zich manifesteert en de geest veranderen in verschijningsvormen van de Drie Lichamen.
Nu ik een menselijk lichaam heb verworven,
is er geen tijd meer om verstrooid te zijn.

Helaas! Nu wordt de bardo van de droom een feit voor mij.
De mentale duisternis die mij als een dode in slaap hield, geef ik op.
Ik ga dan ook de weg op vande onverstrooide waakzaamheid.
Door de controle op de droom veranderen de illusies in helder licht.
Slaap niet meer als een dier, maar beoefen het verenigen van de slaap en de waakzaamheid.

Helaas! Nu wordt de bardo van de meditatie een feit voor mij.
Ik laat de talloze gedachten en verwarringen achter.
Zonder afleiding, zonder afleiding, zonder gehechtheid, los van deze twee uitersten, verwijl ik.
Ik moet standvastig worden in de twee fasen: ontwikkeling en absorptie.
Vrij van activiteiten in eenpuntige meditatie, geef ik me niet over aan de waanbeelden van storende emoties.

Helaas! Nu wordt de bardo van het sterven een feit voor mij.
Alle gehechtheden en hebzucht geef ik op.
Zonder afleiding verwijl ik in de helderheid van de leringen.
Ik stoot het ongeboren bewustzijn uit in de ruimtelijke sfeer.
Bevrijd van dit lichaam van vlees en bloed, zal ik het herkennen als een vergankelijk waanbeeld.

Helaas! De bardo van de ware natuur wordt een feit voor mij.
Ik geef elke gedachte van vrees of van haat op.
Ik onderken wat er zich ook voordoet als mijn eigen projectie.
Ik weet dat dit alles een manifestatie van de bardo zelf is.
Eenmaal met dit beslissende moment geconfronteerd,
vrees ik nu noch de vredevolle noch de toornige godheden, die mijn eigen projecties zijn.

Helaas! De bardo van de wording wordt een feit voor mij.
Ik breng mijn geest samen tot een sterk geconcentreerde betrachting.
Ik zet mezelf ertoe aan positieve daden te stellen.
De ingang tot de moederschoot zal ik sluiten en ik moet eraan denken me ervan af te keren.
Wees standvastig, dit is de tijd voor zuiver inzicht .
Geen jaloezie, mediteer op de Lama in vereniging.

Bedenk toch de zinloze bezigheden van het leven.
Onverschillig voor de dood,
Terugkeren met lege handen, wat een verdwazing.
Weten wat nodig is, daartoe dient de edele dharma.
Waarom zou ik nu niet direct die edele dharma toepassen?
Uit de mond van grote beoefenaars komen deze woorden:
Raadgevingen van de Lama niet in je geest integreren, is dat niet jezelf misleiden?

 

Het Tibetaanse Dodenboek dat werd opgeschreven in 800 nc door Padma Sambava steunt op zeer oude overleveringen uit de Sjamaanse oer-religie Bön

De boodschap van het boek

De bardo van het ogenblik voor de dood

Het hellerijk

Het rijk van de hongerige geesten

Het dierenrijk

Het mensenrijk

Het rijk van de jaloerse goden

Het godenrijk

De bardo van dharmata

De aard van de visioenen

De eerste dag

 

 

de boodschap van het boek (door Chögyam Trungpa Rinpoche)

E r lijkt zich een fundamenteel probleem voor te doen als we het hebben over het onderwerp van Het Tibetaans Dodenboek. Men zou naar dit boek kunnen verwijzen als "Het Tibetaans Geboorteboek". Het boek is niet gebaseerd op de dood als zodanig, maar op een volledig afwijkende notie van dood. Het is een "Ruimteboek". Ruimte omvat geboorte en dood; ruimte schept de omgeving waarin men functioneert, ademt en handelt - ruimte is de fundamentele omgeving die de inspiratie voor dit boek geeft.

D e pre-boeddhistische Bön-beschaving van Tibet bezat zeer nauwkeurige aanwijzingen omtrent de wijze waarop men de psychische kracht die een dode nalaat moest behandelen - de voetafdrukken of warmtesporen, om het zo maar eens te zeggen, die overblijven als hij is weggegaan. Het lijkt erop dat de Bön en de Egyptische traditie eerder zijn gebaseerd op deze speciale ervaring van hoe men dient om te gaan met de voetafdrukken, dan op het werken met het bewustzijn van de persoon. Het fundamentele principe dat ik nu zal trachten over te brengen, is dat van de onzekerheid ten aanzien van geestelijke gezondheid en krankzinnigheid - of verlichting en verwarring - en de mogelijkheid van allerlei visionaire ontdekkingen die zich voordoen op weg naar gezondheid of krankzinnigheid.

B ardo betekent tussenruimte; het is niet alleen de periode van de grondeloze toestand nadat we gestorven zijn, maar het is tevens de grondloze toestand die zich voordoet tijdens het leven; dood doet zich eveneens voor tijdens het leven. De bardo-ervaring is deel van onze fundamentele psychologische make-up. Er bestaan allerlei soorten van bardo-ervaringen die ons voortdurend overkomen, ook ervaringen van paranoia en onzekerheid in het leven van alledag; het is alsof we niet zeker zijn van de grond onder onze voeten, alsof we niet precies weten waar we om gevraagd hebben of waar we in verzeild raken. Dit boek is derhalve niet alleen een boodschap voor hen die doodgaan of voor hen die al dood zijn, maar het is ook een boodschap voor hen die al geboren zijn; geboorte en dood zijn voortdurend op ieder van ons van toepassing, zelfs op dit ogenblik.

D e bardo-ervaring kan ook worden gezien in termen van de zes rijken van bestaan waar we doorheen gaan, de zes rijken van onze mentale stadia. We kunnen deze ervaring dan zien in termen van de verschillende ons tegemoettredende godheden, zoals deze beschreven worden in het boek. Tijdens de eerste week de vredige godheden en gedurende de laatste week de toornige godheden; daar zijn de vijf tathagata's en daar zijn de heruka's en de gauri's - de boodschappers van de vijf tathagata's - die zich in allerlei angstaanjagende en weerzinwekkende vormen voordoen. De details die hier worden gepresenteerd komen zeer sterk overeen met wat ons in ons dagelijkse leven overkomt; het zijn niet slechts psychedelische ervaringen of visioenen die na de dood optreden. Dat deze ervaringen zuiver gezien kunnen worden in termen van het gewone leven, daaraan zullen we trachten te werken.

M et andere woorden, de hele zaak is gebaseerd op een andere manier van kijken naar het psychologische beeld van onszelf vanuit een op de praktijk gerichte meditatieve situatie. Niemand zal ons redden, alles wordt volledig aan het individu overgelaten, het engagement met wat we zijn. Goeroes en spirituele vrienden kunnen die mogelijkheden wellicht uitlokken, zij spelen echter in de grond van de zaak geen rol.

H oe weten we dat mensen die sterven werkelijk deze dingen ondergaan? Is er ooit iemand uit het graf teruggekeerd die ons ingelicht heeft over de ervaringen waar hij doorheen ging? Dergelijke indrukken zijn zo sterk dat iemand die pas geboren is wel herinneringen moet hebben aan de periode tussen dood en geboorte; maar als we opgroeien worden we zo door onze ouders en de samenleving geïndoctrineerd en plaatsen we onszelf in zo'n ander kader, dat de oorspronkelijke ingrijpende indrukken verbleken, op enkele vluchtige herinneringen na die zo nu en dan opeens bovenkomen. En zelfs dan wantrouwen we dergelijke ervaringen en zijn we zo benauwd de vaste grond, in termen van het leven in deze wereld, onder onze voeten te verliezen, dat we iedere ongrijpbare ervaring halfslachtig behandelen of volkomen terzijde schuiven. Naar dit proces kijken vanuit het gezichtspunt van wat er gebeurt als we doodgaan, doet denken aan het bestuderen van een mythe; het is daarom nodig enige daadwerkelijke ervaring op te doen met dit niet aflatende bardo-proces.

E r is een strijd gaande tussen lichaam en bewustzijn, en er is een voortdurende ervaring van dood en geboorte. Dan is er ook de ervaring van de bardo van dharmata, de helderheid, en van de bardo van wording, van mogelijke toekomstige ouders of omstandigheden waarin we kunnen aarden. We hebben eveneens de visioenen van toornige en vredige godheden, die we onafgebroken ervaren, zelfs op dit ogenblik. Als we open en realistisch genoeg zijn om er op die manier naar te kijken, dan zal de daadwerkelijke ervaring van de dood en van de bardo-staat noch een mythe, noch een buitengewone schok voor ons zijn, want we hebben er al mee leren omgaan en we zijn vertrouwd geraakt met het hele idee.

De bardo van het ogenblik voor de dood

D e eerste fundamentele bardo-ervaring is het gevoel van onzekerheid of we nu eigenlijk stervende zijn of niet, in de zin van contact verliezen met de tastbare wereld, of dat we gewoon door kunnen gaan te leven. Deze onzekerheid heeft niet zozeer betrekking op het verlaten van het lichaam, maar zuiver op het verliezen van de grond onder onze voeten; de mogelijkheid om over te stappen van de werkelijke wereld naar een onwerkelijke wereld.

W e kunnen zeggen dat de werkelijke wereld de wereld is waarin we genot en pijn, goed en slecht ervaren. Er is een soort werking van het verstand die ons de criteria verschaft hoe dingen zijn, een fundamentele dualistische notie. Indien we echter volledig zijn beland in deze dualistische gevoelens, wordt die absolute ervaring van dualiteit zelf de ervaring van niet-dualiteit. Er is dan geen enkele moeilijkheid meer, want dualiteit wordt gezien vanuit een volmaakt open en helder gezichtspunt waarbinnen geen strijd bestaat; er is dan een geweldige omvattende visie van eenheid. Strijd doet zich voor omdat dualiteit helemaal niet wordt gezien zoals die is. Deze wordt slechts op een onzuivere, een heel stuntelige manier gezien. In feite nemen we niets op de juiste wijze waar, en we beginnen ons af te vragen of zulke zaken als ikzelf en mijn projecties eigenlijk wel echt bestaan. Als we derhalve spreken over de dualistische wereld als verwarring, is die verwarring niet de hele dualistische wereld, maar slechts het halfslachtige erin, en dit veroorzaakt een geweldige onvoldaanheid en onzekerheid; dit ontwikkelt zich zover dat we op een bepaald moment bang zijn krankzinnig te worden, een moment waarop er mogelijkheden bestaan de wereld van dualiteit te verlaten en in te gaan in een of andere wollige, vage leegte die de wereld van de dood is, het kerkhof in mist gehuld.

H et boek beschrijft de ervaring van de dood in termen van de verschillende elementen van het lichaam, naar steeds diepere lagen afdalend. Lichamelijk voel je je zwaar, als het element aarde oplost in water. Als vervolgens water oplost in vuur, merk je dat de circulatie begint te stagneren. Wanneer dan vuur oplost in lucht, begint elk gevoel van warmte en groei te verdwijnen. Als daarna lucht in ruimte oplost, verlies je het laatste gevoel van contact met de stoffelijke wereld. Wanneer tenslotte het bewustzijn oplost in de centrale nadi, is er een gevoel van een inwendige helderheid, een innerlijke gloed, als alles volledig naar binnen gekeerd is.

D ergelijke ervaringen doen zich voortdurend voor. De tastbare, logische toestand lost op, en men is er niet geheel en al zeker van of men nu verlichting bereikt of krankzinnig wordt. Wanneer deze ervaring zich voordoet, kan men deze zich zien afspelen in vier of vijf verschillende stadia. Allereerst vervaagt de tastbare kwaliteit van de stoffelijke, levende logica; met andere woorden je verliest het fysieke contact. Daarna neem je als vanzelf je toevlucht tot een werkbaardere situatie, het element water; je verzekert jezelf ervan dat je geest nog steeds functioneert. In het volgende stadium is de geest er niet geheel en al zeker meer van of hij wel op de juiste manier werkt of niet, er begint iets te stagneren in zijn circulatie. De enige manier om daarmee om te gaan is door middel van emoties, je probeert aan iemand te denken die je liefhebt of haat, iets heel levendigs, want omdat de vloeibare kwaliteit van de circulatie niet meer functioneert, wordt de koortsachtige hitte van liefde en haat belangrijker. Zelfs dit lost langzaam maar zeker op in lucht, en er ontstaat een vage ervaring van openheid, zodat er een neiging bestaat om je greep te verliezen op de toestand van geconcentreerd te zijn op liefde, of van te proberen je iemand te herinneren van wie je houdt. Alles lijkt van binnen hol te zijn.

D e volgende ervaring is de helderheid. Je bent bereid op te geven, want je kunt niet langer tegenstribbelen; een soort zorgeloosheid doet zich op dat ogenblik voor. Het is alsof pijn en genot tegelijk plaatsvinden; alsof een keiharde douche van ijskoud en kokend water tegelijk over je lichaam wordt uitgestort. Het is een intense ervaring, heel krachtig en vol, de ervaring van eenheid waar pijn en genot hetzelfde zijn. De dualistische worsteling van trachten iets te zijn wordt volledig in de war gebracht door de twee uiterste krachten van hoop op verlichting en vrees om krankzinnig te worden. Deze twee uitersten zijn zo hevig dat dit een zekere ontspanning toelaat. Wanneer je dan niet langer worstelt, doet de helderheid zich op natuurlijke wijze voor.

D e daaropvolgende stap is de ervaring van helderheid in termen van het leven van alledag. De helderheid is een neutrale grond of achtergrond, een opening die zich voordoet op het moment dat de intensiteit afneemt. Op dat ogenblik begint een zekere intelligentie in verbinding te treden met de ontwaakte staat van geest, hetgeen leidt tot een plotselinge vluchtige gewaarwording van meditatieve ervaring of boeddhanatuur, die we ook dharmakaya kunnen noemen. Als we echter niet de mogelijkheid bezitten om met deze fundamentele intelligentie in contact te treden, maar het proces in onze geest nog steeds overheerst wordt door verwarde energie, dan zal deze energie zich in den blinde ontwikkelen en zal de absolute energie van helderheid tenslotte als het ware uiteenvallen tot verschillende vormen van afgezwakte energie. Een of andere fundamentele neiging om iets vast te grijpen begint zich in deze staat van helderheid te ontwikkelen. Daaruit ontstaat, al naar gelang de intensiteit ervan, de ervaring van de zes rijken van de wereld. Deze spanning of gespannenheid kan niet alleen uit zichzelf werkzaam zijn, zonder de gangmaker van energie; er wordt met andere woorden energie verbruikt om te kunnen grijpen. We kunnen nu de zes rijken van de wereld gaan bezien vanuit het gezichtspunt van de verschillende instinctieve patronen.

Het hellerijk

W e beginnen met het hellerijk, het meest intense van de rijken. Allereerst ontwikkelen zich daar de energieën en emoties tot een hoogtepunt, zodat het in een zeker stadium erg verwarrend voor ons is of deze energieën nu ons beheersen of wij hen. Dan raken we opeens het spoor in deze hele wedloop bijster. Onze geest raakt in een onbeschreven staat die de helderheid is. In deze onbeschreven staat begint zich een hevige verleiding te ontwikkelen om te vechten, en deze paranoia brengt eveneens verschrikking met zich mee. In het begin worden de paranoia en de verschrikking verondersteld tegen iets te vechten, maar nu zijn we er niet meer zo zeker van wie we eigenlijk bestrijden. En de hele zaak die zich ontwikkeld heeft, de verschrikking, begint zich tegen zichzelf te keren. Wanneer men tracht van zich af te slaan, slaat men naar binnen in plaats van tegen de projectie te vechten.

H et is zoals het verhaal van de kluizenaar die een lamspoot voor zich zag liggen en deze wilde oppakken en koken. Zijn leraar zei hem deze met een kruis te merken. Hij ontdekte daarna dat het kruis op zijn eigen borst was aangebracht. Het idee daarbij is dat je denkt dat er iets buiten je is dat moet worden aangevallen, bevochten, of overwonnen. Zo ziet haat eruit in de meeste gevallen. Je bent kwaad op iets en je probeert het te vernietigen, maar op hetzelfde ogenblik wordt dit proces zelfvernietigend, het keert zich naar binnen en je zou er hard van willen weglopen; maar dan lijkt het te laat, je bent de woede zelf, dus is er nergens een plaats om naar toe te lopen. Je achtervolgt jezelf voortdurend - dat is de ontwikkeling van het hellerijk.

Z eer levendige beschrijvingen van het hellerijk kan men vinden in Gampopa's Juwelensieraad van Bevrijding {zie The Jewel Ornament of Liberation, Translated and Annotated by Herbert V. Guenther, 1959, 1971, 1986}; symbolisch is iedere intense marteling een psychologisch portret van jezelf. In het hellerijk word je niet zozeer gestraft, alswel overweldigd door de omgeving van verschrikking, die wordt beschreven als vlakten en bergen van roodgloeiend ijzer en ruimte gevuld met vonken vuur. Zelfs als je besluit te vluchten moet je over dit brandende metaal gaan, en als je besluit te blijven word je door het vuur verkoold. De claustrofobie is intens, hitte die van alle kanten komt; de hele aarde is veranderd in gloeiend metaal, hele rivieren zijn veranderd in gesmolten ijzer, en de hele hemel is vergeven van vuur.

H et andere type hel is het omgekeerde, de ervaring van hevige koude en sneeuw, een ijzige wereld waarin alles volledig bevroren is. Dit is een ander soort agressie die categorisch weigert te communiceren. Het is een soort verontwaardiging die gewoonlijk voortvloeit uit hevige trots, waarbij de trots overgaat in een ijskoude omgeving die, versterkt door zelfvoldaanheid, in het systeem begint door te dringen. Deze staat ons niet toe te dansen, te glimlachen of muziek te horen.

Het rijk van de hongerige geesten

V ervolgens hebben we een ander psychologisch rijk, dat van de preta's of hongerige geesten. Aanvankelijk geraken we uit de helderheid door nu niet agressie, maar hevige hebzucht te ontwikkelen. Er is een gevoel van armoede, en tegelijk ook een gevoel van rijkdom, tegenstrijdig en niettemin te zamen op hetzelfde moment werkzaam.

I n het rijk van de hongerige geesten bestaat er een geweldig gevoel van rijkdom, van het vergaren van vele bezittingen; wat je ook wilt, je hoeft er niet naar te zoeken want je merkt dat je het al hebt. Dit maakt ons nog hongeriger, we voelen ons nog meer tekort gedaan, want we ervaren voldoening niet door bezitten alleen, maar door ernaar op zoek te zijn. Omdat we nu echter alles al hebben, kunnen we er niet op uit om naar iets te zoeken om het te bezitten. Het is heel erg frustrerend, een fundamentele onverzadigbare honger.

H et is alsof je helemaal vol bent, zo vol dat je niets meer kunt eten; maar je eet zo graag, en daarom begin je visioenen te krijgen van het genot van de geur, het tot je nemen, het proeven, het kauwen, het doorslikken en het verteren van voedsel. Het hele proces lijkt overdadig en je voelt je uiterst afgunstig ten aanzien van anderen die echt hongerig kunnen zijn en eten.

D it wordt gesymboliseerd door het beeld van een persoon met een reusachtige buik, een uiterst dunne hals en een klein mondje. Er zijn verschillende stadia van deze ervaring, afhankelijk van de hevigheid van de honger. Sommigen kunnen het voedsel oppakken, maar dan verdwijnt het of ze kunnen het niet eten; anderen kunnen het oppakken en in hun mond doen, maar zij kunnen het niet doorslikken; weer anderen kunnen het doorslikken, maar als het eenmaal in hun maag is terechtgekomen begint het te branden. Er zijn allerlei niveaus van deze honger, die zich voortdurend voordoen in het leven van alledag.

D e vreugde van het bezit verschaft ons geen genot meer zodra we iets hebben, en we trachten voortdurend te zoeken naar meer. Het blijkt echter steeds opnieuw hetzelfde patroon te zijn. Er is derhalve een onafgebroken hevige honger, die niet gebaseerd is op een gevoel van armoede, maar op het besef dat we alles al hebben en er toch niet van kunnen genieten. Het is hier de energie, de daad van de uitwisseling, die het meest opwindend lijkt: verzamelen, vasthouden, zich aankleden, eten. Dat soort energie levert een aanzet, maar de neiging om te grijpen maakt het erg onbeholpen. Zodra je eenmaal iets hebt wil je het houden en ondervind je niet langer het genoegen van het te hebben, maar je wilt het niet meer loslaten. Nogmaals, het is een soort liefde-haat verhouding ten aanzien van onze projecties. Het is te vergelijken met de tuin van de buurman die er groener uitziet dan jouw tuin; is die groenere tuin eenmaal in ons bezit, dan realiseren we ons dat we niet langer de vreugde of de waardering ondervinden van de schoonheid die we in het begin ervoeren; de romantische kwaliteit van een liefdesaffaire begint te vervagen.

Het dierenrijk

H et dierenrijk wordt gekenmerkt door de afwezigheid van gevoel voor humor. We ontdekken dat we niet neutraal kunnen blijven in de helderheid, dus beginnen we ons van de domme te houden, op een slimme manier de onwetende te spelen, wat inhoudt dat we ons volledig voor een bepaald terrein afsluiten, het gebied van gevoel voor humor. Dit wordt gesymboliseerd door dieren die niet kunnen lachen of glimlachen; dieren hebben weet van vreugde en pijn, maar op een of andere manier is gevoel voor humor of ironie hen vreemd.

M en kan dit ontwikkelen door te geloven in zekere religieuze kaders, theologische of filosofische verworvenheden, of door doodgewoon zeker van zichzelf, praktisch en solide te blijven. Zo iemand kan zeer doeltreffend, heel geschikt en rechtlijnig zijn voor wat betreft zijn werk, en zich heel tevreden voelen. Hij is als een boer die ordelijk voor zijn boerderij zorgt, voortdurend waakzaam, open en doeltreffend; of als een directeur die een bedrijf leidt; of als een huisvader met een heel gelukkig, voorspelbaar en veilig leven, zonder dat er ooit iets geheimzinnigs aan te pas komt. Als hij een nieuw apparaat koopt zit er altijd een gebruiksaanwijzing bij. Wanneer er zich een probleem voordoet kan hij zich wenden tot advocaten, priesters of politieagenten, allerlei professionele lieden, die zich op hun beurt zeker en op hun gemak voelen in hun beroep. Het is uiterst redelijk en voorspelbaar, maar tegelijk hogelijk ongeïnspireerd.

W at er aan schort is dat als er zich een onbekende, onvoorspelbare omstandigheid voordoet, er een gevoel van paranoia, van bedreiging ontstaat. Als er mensen zijn die niet werken, die er anders uitzien, of een onregelmatige levensstijl hebben, dan is alleen al het feit dat er zulke mensen bestaan bedreigend. Alles wat onvoorspelbaar is vormt een wezenlijke bedreiging voor dit fundamentele patroon. Deze ogenschijnlijk gezonde en solide situatie, zonder gevoel voor humor, is dus het dierenrijk.

Het mensenrijk

H et mensenrijk voorziet in een ander soort situatie, die niet helemaal dezelfde is als die van het dierenrijk van leven en overleven. Het mensenrijk is gebaseerd op begeerte, de neiging om te onderzoeken en te genieten; het is het terrein van onderzoek en ontwikkeling, het voortdurend trachten te verrijken. Men kan zeggen dat het mensenrijk psychologisch dichter staat bij de kwaliteit van streven naar iets, die men vindt in het rijk van de hongerige geesten. Er is echter ook een element van het dierenrijk aanwezig: alles op een voorspelbare manier in gang zetten. En dan is er nog iets anders verbonden met het mensenrijk, een heel vreemd soort wantrouwen, voortvloeiend uit begeerte, dat menselijke wezens listiger, stiekemer en gladder maakt. Zij kunnen allerlei middelen uitvinden en deze op vernuftige wijze aanwenden om een andere gewiekste persoon te pakken te nemen, terwijl die andere gewiekste persoon weer zijn of haar eigen repertoire van tegenmiddelen ontwikkelt. Op die manier bouwen we onze wereld op met reusachtig succes en resultaat. Maar deze opeenstapeling van ontwikkeling van middelen en tegenmiddelen gaat voortdurend verder en brengt nieuwe bronnen van begeerte en intriges met zich mee. Uiteindelijk zijn we niet meer in staat een dergelijk omvangrijke onderneming tot een goed einde te brengen. We zijn onderworpen aan geboorte en dood. De ervaring kan geboren worden, maar kan ook sterven; onze ontdekkingen zijn misschien maar vergankelijk en tijdelijk.

Het rijk van de jaloerse goden

H et rijk van de asura's of jaloerse goden is het hoogste rijk voorzover het om communicatie gaat, het is een zeer intelligente aangelegenheid. Wanneer je plotseling gescheiden wordt van de helderheid is er een gevoel van verbijstering, alsof iemand je midden in een woestenij heeft achtergelaten; er bestaat een neiging achterom te kijken en je eigen schaduw te wantrouwen, of die schaduw nu echt is of deel uitmaakt van iemands strategie. Paranoia is een soort radarsysteem, het meest doeltreffende radarsysteem dat ego kan hebben. Het vangt allerlei kleine en nauwelijks waarneembare voorwerpjes op en wantrouwt deze alle stuk voor stuk, elke levenservaring wordt als iets bedreigends beschouwd.

D it staat bekend als het rijk van jaloezie of afgunst, maar het is niet de jaloezie of afgunst waar we in het algemeen aan denken. Het is iets uiterst fundamenteels, gebaseerd op overleven en overwinnen. In tegenstelling tot het mensen- of dierenrijk is het doel van het rijk van de jaloerse goden zuiver en alleen om binnen het rijk van intriges te opereren; dat is alles wat er aan de hand is, het is zowel bezig zijn als bezig gehouden worden. Het is alsof iemand als diplomaat is geboren, als diplomaat is opgegroeid en als diplomaat is gestorven. Intriges en relaties vormen zijn levensstijl en zijn bron van bestaan. Deze intriges kunnen gebaseerd zijn op allerlei relaties: een emotionele relatie, de relatie met vrienden, of de relatie tussen leraar en leerling, wat dan ook.

Het godenrijk

H et laatste stadium is het godenrijk, deva-loka. Opnieuw, als de persoon ontwaakt uit de helderheid, of die helderheid verlaat, doet zich een onverwacht gevoel van genot voor en men probeert dit genot in stand te houden. In plaats van volledig op te lossen in de neutrale achtergrond, begint men zich opeens van zijn individualiteit bewust te worden, waarbij individualiteit een idee van verantwoordelijkheid, van zelfhandhaving met zich meebrengt. Deze zelfhandhaving is de staat van samadhi, het voortdurend in een staat van absorptie en vrede vertoeven; dat is het godenrijk, bekend als het rijk van trots. Trots in de zin van het vormen van je eigen gecentraliseerde lichaam, het handhaven van je eigen gezondheid; het is met andere woorden bedwelmd zijn door het bestaan van ego. Je begint je dankbaar te voelen dat je zo'n bevestiging ondervindt, dat je uiteindelijk iets bent, in tegenstelling tot de helderheid die niemandsland is. En omdat je iets bent, moet je jezelf handhaven, wat een natuurlijke staat van gemak en genot veroorzaakt, een volledig opgaan in jezelf.

D eze zes rijken van de wereld vormen de oorzaak van het hele leven in samsara, alsmede de oorzaak van het ingaan in het rijk van dharmakaya. Ze kunnen ons helpen de betekenis te vatten van de visioenen die beschreven worden in het boek van de bardo van wording, die een geheel andere wereld vormt. Er vindt daar een confrontatie plaats tussen deze twee werelden: de ervaring van de zes rijken vanuit het gezichtspunt van ego en vanuit het gezichtspunt van het overstijgen van ego. Deze visioenen kunnen veeleer worden gezien als uitdrukkingen van neutrale energie, dan als goden die je uit samsara zullen redden of demonen die jacht op je maken.

De bardo van dharmata

N aast de zes rijken is het nodig een idee te krijgen van het fundamentele begrip bardo; "bar" betekent tussen, en "do" betekent eiland of kenmerk - een soort grenspaal tussen twee gebieden. Het is meer nog als een eiland midden in een meer. De idee van bardo is gebaseerd op de periode tussen verwarring en verwarring die op het punt staat tot wijsheid omgevormd te worden. Dit kan natuurlijk ook worden gezegd van de ervaring die tussen dood en geboorte plaatsvindt. Het verleden is voorbij en de toekomst heeft zich nog niet gemanifesteerd, dus gaapt er een kloof tussen die twee situaties. Dat is in de grond de bardo-ervaring.

D e dharmata-bardo is de ervaring van helderheid. Dharmata betekent het wezen van de dingen zoals ze zijn, de zijnskwaliteit ervan. De dharmata-bardo is derhalve fundamentele, open, neutrale grond; de waarneming van die grond is dharmakaya, het lichaam van waarheid of wet.

A ls de waarnemer of veroorzaker begint op te lossen in de fundamentele ruimte, dan omvat die fundamentele ruimte de dharma, de waarheid, maar die waarheid wordt overgedragen in termen van samsara. Op die manier biedt de ruimte tussen samsara en de waarheid - de ruimte waarin dharma zichtbaar wordt - de fundamentele grond waar de vijf tathagata's en de vredige en de toornige godheden zich tot in detail voordoen.

D eze uitdrukkingen van de dharmata manifesteren zich niet in fysieke of visuele termen, maar in termen van energie, energie die de kwaliteit bezit van de elementen aarde, water, vuur, lucht en ruimte. We hebben het hier niet over gewone substanties, het gewone stoffelijke niveau van de elementen, maar over de subtiele elementen. Gezien vanuit het standpunt van de waarnemer is het ervaren van de vijf tathagata's in de visioenen geen visioen en geen waarneming, zelfs niet helemaal een ervaring. Het is geen visioen, want als je een visioen hebt moet je kijken, en kijken is op zichzelf een extraverte manier van jezelf van het visioen scheiden. Je kunt ook niet waarnemen, want op het ogenblik dat je begint waar te nemen voer je die ervaring in je systeem in, wat alweer een dualistische manier van contact maken zou betekenen. Je kunt er zelfs geen weet van hebben, want zolang er een toeschouwer is die je meedeelt dat dit je ervaringen zijn, worden deze energieën nog steeds van je afgezonderd. Het is heel belangrijk dit fundamentele principe te begrijpen, want het is werkelijk de sleutel tot de hele iconografische symboliek in de tantristische kunst. De populaire verklaring is dat de voorstellingen van de verschillende godheden psychologische portretten zijn, maar er is iets meer aan de hand dan dit alleen.

E en van de meest vergevorderde en gevaarvolle vormen van beoefening is de bardo-retraite, die bestaat uit zeven weken van meditatie in volledige duisternis. De visualisaties daarbij zijn zeer eenvoudig, grotendeels gebaseerd op het principe van de vijf tathagata's gezien als verschillende soorten ogen. De centrale plaats van de vredige tathagata's bevindt zich in het hart, dus zie je verschillende soorten ogen in je hart; het principe van de toornige godheden is geconcentreerd in de hersenen, dus zie je bepaalde soorten ogen die elkaar aanstaren in je hersenen. Dit zijn geen gewone visualisaties, maar zij vloeien voort uit de mogelijkheid van krankzinnigheid en het volledig opofferen van de vaste grond aan het dharmata-principe.

E r ontwikkelt zich vervolgens een absolute en onbetwistbare ervaring van helderheid. Deze flitst aan en uit; nu eens ervaar je haar, dan weer ervaar je haar niet, maar je zit er middenin; je reist dus heen en weer tussen dharmakaya en helderheid. In het algemeen ontstaat er rond de vijfde week een fundamenteel begrip van de vijf tathagata's en doen zich deze visioenen in werkelijkheid voor - het is zeker niet iets in termen van een kunstuiting. Men is zich niet zozeer bewust van hun tegenwoordigheid, maar er begint zich een abstracte kwaliteit te ontwikkelen, zuiver gebaseerd op energie. Wanneer energie onafhankelijk wordt, volmaakte energie wordt, begint deze naar zichzelf te kijken en zichzelf waar te nemen, hetgeen de gewone notie van waarneming overstijgt. Het is alsof je loopt omdat je weet dat je geen enkele ondersteuning nodig hebt; je loopt onbewust. Dit is een onafhankelijke energie zonder enige vorm van zelfbewustheid, die in het geheel geen fantasie is - aan de andere kant echter... je weet maar nooit.

De aard van de visioenen

D e visioenen die zich voordoen in de bardo-staat en de schitterende kleuren en geluiden die met deze visioenen gepaard gaan, zijn niet uit enige soort substantie gemaakt die, vanuit het gezichtspunt van de waarnemer, in stand gehouden moet worden, maar zij doen zich gewoonweg voor, als uitdrukking van stilte en als uitdrukking van leegte. Teneinde hen op de juiste manier te zien, kan de waarnemer van deze visioenen niet een fundamenteel, gecentraliseerd ego hebben. Fundamenteel ego is in dit geval datgene dat veroorzaakt dat iemand over iets nadenkt of iets waarneemt.

W anneer er een bepaalde waarnemer zou zijn, zouden we een openbaring van een god of entiteit buiten ons kunnen ontvangen, en die waarneming zou zich bijna tot een niet-dualistisch niveau kunnen uitbreiden. Een dergelijke waarneming kan heel verrukkelijk en aangenaam worden, want er is niet alleen de toeschouwer maar ook iets subtielers, een fundamentele spirituele entiteit, een subtiele conceptie of impuls die naar buiten kijkt. Deze begint een prachtige notie van wijdsheid, openheid en gelukzaligheid te ervaren, die het idee van één te zijn met het universum uitlokt. Het is heel aangenaam en geruststellend om in dit gevoel van openheid en wijdsheid van de kosmos te geraken. Het is alsof je tot de moederschoot terugkeert, een soort zekerheid. Vanwege de inspiratie die van een dergelijke vereniging uitgaat, wordt iemand als vanzelf beminnelijk en vriendelijk, en spreekt hij in schone bewoordingen. Het is heel goed mogelijk dat een of andere vorm van een goddelijk visioen in een dergelijk staat kan worden waargenomen, of lichtflitsen, of muziek, of de toenadering van een of andere tegenwoordigheid.

I n het geval van iemand die op zo'n manier met zichzelf en zijn projecties omgaat, is het mogelijk dat hij uitermate geïrriteerd wordt als hij in de periode na de dood geconfronteerd wordt met de visioenen van de tathagata's die niet afhankelijk zijn van zijn waarneming. De visioenen van de tathagata's nodigen helemaal niet uit tot vereniging, ze zijn verschrikkelijk vijandig; ze zijn er gewoon, ze zijn er op een irritante manier, omdat zij op geen enkele poging om ermee te communiceren ingaan.

H et eerste visioen dat zich voordoet is dat van de vredige godheden; dit is niet een vredigheid in de zin van het ervaren van liefde en licht, waar we het zojuist over hadden, maar van een volledig omvattende vrede - onwrikbare, onoverwinnelijke vrede, de staat van vredigheid waaraan niet kan worden getornd, die geen tijd, geen einde en geen begin kent. Het symbool van vrede wordt voorgesteld door de figuur van een cirkel; deze heeft geen ingang, deze is eeuwig.

N iet alleen tijdens de bardo-ervaring na de dood, maar ook gedurende ons leven, doen zich voortdurend gelijksoortige ervaringen voor. Wanneer iemand zich bepaalt tot dit soort van vereniging met de kosmos - alles is mooi, vredig en liefderijk - bestaat de mogelijkheid dat er een vreemd element binnendringt, precies zoals bij het visioen van de vredige godheden. Je ontdekt dat er een mogelijkheid bestaat dat je de grond onder je voeten verliest, de hele vereniging volledig kwijtraakt, je identiteit van jezelf te zijn verliest, en oplost in een volkomen en volledige staat van harmonie, die uiteraard de ervaring van helderheid is. Deze staat van absolute vredigheid lijkt uiterst angstaanjagend te zijn, en er bestaat een grote kans dat je vertrouwen aan het wankelen wordt gebracht door een zich zo plotseling voordoende vluchtige indruk van een andere dimensie, die zelfs het idee van vereniging niet toelaat.

D aarnaast is er de ervaring van de toornige godheden. Zij vormen een andere uitdrukking van vredigheid: de meedogenloze, onvermurwbare kwaliteit, die niet de minste uitvlucht gedoogt. Als je hen benadert en tracht de situatie te veranderen, word je teruggeworpen. Dat is precies wat er zich in het gewone leven voordoet bij emoties. Op een of andere manier bevat het gevoel van eenheid, waarbij alles vredig en harmonieus is, niet de volle waarheid, want altijd als er zich een onverwachte uitbarsting van energieën voordoet in termen van begeerte, agressie, of een of ander conflict, wordt er plotseling iets wakker gemaakt; dat is de toornige kwaliteit van vredigheid. Als je volledig bent opgegaan in een of andere, door ego gefabriceerde, geruststellende situatie, zal de feitelijke werkelijkheid van de naaktheid van de geest en het kleurrijke aspect van emoties je wakker schudden, misschien wel op een zeer gewelddadige manier, zoals bij een plotseling ongeluk of onverwachte chaos. Natuurlijk bestaat er altijd nog de mogelijkheid deze alarmerende gedachten te negeren en door te gaan met geloven in het oorspronkelijke idee.

D e notie van het verlaten van het lichaam en de helderheid ingaan, dan uit de helderheid ontwaken en het ervaren van de visioenen in het derde bardo-stadium, kan derhalve symbolisch worden opgevat als overgeleverd worden aan die open ruimte - ruimte waarin zich nog niet eens één enkel voorwerp bevindt om contact mee te kunnen maken, zo open dat je niet eens een notie van vereniging kunt hebben, omdat er niets is om één mee te kunnen worden. Maar er doen zich in die ruimte allerlei energieflitsen voor die òf in een andere richting afgeleid, òf gekanaliseerd kunnen worden. Dat is in dit geval de definitie van geest: de gemakkelijk plooibare energie die men òf naar een andere situatie kan afleiden, òf in de juiste banen kan leiden. De mogelijkheid zichzelf te bevrijden tot op het sambhogakaya-niveau van het rijk van de vijf tathagata's is er afhankelijk van of al dan niet een poging wordt ondernomen om door te gaan hetzelfde spelletje steeds opnieuw te spelen.

T egelijk met deze levendige en kleurrijke ervaringen vindt er ook een heropvoering van de zes rijken van de bardo-ervaring plaats. De waarneming van de zes rijken en de waarneming van de vijf tathagata's zijn weliswaar dezelfde, maar er is een verschil in stijl. Het lijkt erop dat de waarnemer van de tathagata's, dat deze mentaliteit, een geweldig vermogen bezit om de verbinding tussen het stoffelijke lichaam en de geest op een heel spontane wijze in stand te houden. Er bestaat geen scheiding tussen de spiritualiteit van de geest en de spiritualiteit van het lichaam; ze zijn dezelfde, er bestaat dus geen tegenstelling.

H et boek zegt ons dat als je voor de eerste maal ontwaakt uit de onbewuste absorptie in het lichaam, je een visuele ervaring hebt, gedetailleerd, nauwkeurig en helder, stralend en angstaanjagend, alsof je in het voorjaar een luchtspiegeling boven het veld ziet en een geluid als van duizend donderslagen tegelijk hoort. In de mentale staat heerst er een ongebonden en onthecht gevoel, maar tegelijk is deze overladen met intelligentie, alsof de persoon een hoofd zonder lichaam heeft, een reusachtig hoofd zwevend in de ruimte. De eigenlijke visuele ervaring van de bardo-staat, de voorbereiding op het zien van de visioenen van de tathagata's, is derhalve scherp, intelligent en helder, maar tegelijk ongrijpbaar, je weet niet precies waar je bent. Deze zintuiglijke ervaring doet zich eveneens voor in de auditieve sfeer: een zwaar dreunend geluid dondert op de achtergrond en doet de aarde beven, maar tegelijk is er niets dat deze trillingen voortbrengt. Overeenkomstige ervaringen kunnen zich ook in het gewone leven voordoen, hoewel de afwezigheid van een stoffelijk lichaam de bardo-ervaring helderder en begoochelender maakt. Een situatie tijdens het gewone leven mist het extreme aspect van de luchtspiegeling, maar er doet zich wel een fundamentele kwaliteit van verlatenheid, eenzaamheid en discontinuïteit voor, wanneer men zich ervan bewust begint te worden dat er geen achtergrond is waar ego houvast aan heeft. Dit vluchtige inzicht van egoloosheid brengt een soort beverigheid met zich mee.

De eerste dag

E r wordt in het boek gezegd dat, nadat we na vier dagen van bewusteloosheid zijn wakker geworden in de helderheid, er een plotseling besef ontstaat dat dit de bardo-staat is. Op hetzelfde ogenblik doet zich de omkering van de samsarische ervaring voor. Dit is de waarneming van licht en beelden die het tegendeel zijn van lichaam of vorm; in plaats van een tastbare situatie van vorm, is het een ongrijpbare staat van kwaliteit.

D aarna overkomt je een verblindend licht, dat de verbindingsschakel tussen lichaam en verstand vormt. Hoewel men is opgegaan in een staat van helderheid, is er nog altijd een soort intelligentie werkzaam, nauwkeurig en scherp, met een verblindende kwaliteit. Het psychofysische lichaam en ook het verstand, de intellectuele geest, worden zo omgevormd tot ruimte.

I n dit geval is de kleur van de ruimte blauw. Het visioen dat zich voordoet is Vairochana. Vairochana wordt beschreven als de boeddha die geen rug en geen voorzijde heeft; hij is panoramische visie, allesdoordringend, zonder gecentraliseerd idee. Vairochana wordt daarom dikwijls voorgesteld door een mediterende figuur met vier gezichten die tegelijk in alle richtingen ziet. Hij is wit van kleur, want deze waarneming behoeft geen andere tint, het is gewoon de oerkleur, wit. Hij houdt een wiel met acht spaken vast, hetgeen het overstijgen van de begrippen van richting en tijd voorstelt. De gehele symboliek van Vairochana is het gedecentraliseerde idee van panoramische visie - middelpunt en rand zijn beide alom aanwezig. Het is volledige openheid van bewustzijn, die de skandha van bewustzijn overstijgt.

H iermee gaat een visioen van het godenrijk gepaard. De diepte van het blauw is angstaanjagend want er is geen middelpunt om zich aan vast te klampen. Maar de vluchtige gewaarwording van wit licht is alsof men een lamp in de duisternis ziet branden, en men is geneigd er naar toe te gaan.

H et godenrijk doet zich ook voor in onze ervaring van het leven van alledag. Wanneer we verzonken zijn in een spirituele staat, een trance-achtige staat van vreugde en genot, volledig opgaand in onszelf en onze projecties. Als die vreugde zich voordoet, is er eveneens de mogelijkheid van het tegendeel ervan: de middelpuntloze, allesdoordringende kwaliteit van Vairochana. Het is uiterst irritant, helemaal niet aanlokkelijk, want er is niets om naar hartelust van te genieten, geen vaste grond waarin we ons kunnen verheugen. Het is allemaal goed en wel om de panoramische visie van openheid te bezitten, maar als er niemand is om dit waar te nemen, is dat verschrikkelijk vanuit het gezichtspunt van ego. De tegenstelling tussen het godenrijk en Vairochana doet zich voortdurend in het leven voor. Dikwijls wordt ons de keus gelaten of we blijven vasthouden aan een gecentraliseerde bron van spiritueel genot, of dat we ons moeten laten gaan in de zuivere openheid zonder middelpunt.

D eze ervaring vloeit voort uit agressie, want agressie weerhoudt ons, en verhindert dat wij Vairochana zien. Agressie is een bepaald, vast iets. Als we in een staat van volkomen woede verkeren, is het alsof we ons inbeelden een egel te zijn en alle mogelijke stekels opzetten om ons te beschermen. Er is geen ruimte voor panoramische visie; we wensen helemaal niet vier gezichten te hebben, we willen zelfs nauwelijks één oog bezitten. Het is een zeer gecentraliseerde en volledig naar binnen gekeerde staat. Daarom zou woede ons willen doen wegvluchten van de zich uitbreidende kwaliteit van Vairochana.

 

 

 

 

Homepagina Sangha Reiki