Het oude spiritualisme
tegenover
het moderne spiritisme

Mediumschap is geen gave; het is een ongelukkig lot.
paranormale verschijnselen
Psychische wetten, krachten en verschijnselen
Er is niets dat zo funest is voor spirituele groei. Het ontwricht de beginselen van de innerlijke constitutie en brengt in toenemende mate een scheiding teweeg tussen het lagere zelf en de zuiverende invloeden van het hogere zelf; daardoor vervallen mediums gewoonlijk van kwaad tot erger en mogen ze zelfs van geluk spreken als ze zich niet tenslotte inlaten met zwarte magie. Het medium is een hulpeloos instrument, beheerst door psychische krachten, en is zich in de regel niet bewust van wat hij of zij doet en wat er gebeurt, blootgesteld aan ieder elementaal dat op zijn weg komt of iedere stroom van psychische energie in het astrale licht, en eveneens lijdelijk onderworpen aan elke welbewust gerichte en geconcentreerde menselijke wil. Een middelaar daarentegen is een volledig zelfbewuste, hoogontwikkelde schakel tussen een spiritueel-intellectuele kracht en de mens. Het is een post die men zelf verkiest, die zeer eervol is maar vol inherent gevaar, en die bijna altijd zelfopoffering inhoudt. Bovendien is de middelaar een kopie in het menselijk leven van wat sommige hogere goden zijn op de goddelijke gebieden. Zij geven zichzelf, opdat anderen die zwoegend achter hen aan komen, geholpen kunnen worden. Men kan dezelfde spirituele en ethische parallel trekken tussen een middelaar en een medium, als tussen een witte magiër en een zwarte - tussen een zoon van de zon en een kind van de maan.
In dit verband moeten we bedenken dat H.P. Blavatsky naar de westerse wereld kwam met de opdracht om in en door juist die groep mensen te werken die hoogstwaarschijnlijk zouden openstaan voor de leringen die zij moest brengen. Dat waren destijds de spiritisten, die in sommige opzichten tot de meest helder denkende geesten van die tijd behoorden en die al min of meer de mogelijkheid beseften, dat er in het grenzeloze heelal iets meer is dan een dood, zielloos, stoffelijk bestaan. Ze begaf zich in hun kringen en verdedigde wat ze daar als waarheid ontdekte in de openbare pers. Ze probeerde hen te doen begrijpen dat er werkelijk een spirituele wereld bestond, maar dat deze ver boven de astrale wereld lag; dat hun zomerland een vage en vervormde voorstelling was van devachan; en dat de veronderstelde 'terugkerende geesten' slechts de astrale schimmen van mensen waren - psychoastrale entiteiten in ontbinding, die volkomen ongeschikt zijn om omgang mee te hebben.
Ze wilden echter niet naar haar luisteren. De belangstelling voor verschijnselen breidde zich toen snel uit. Een dansende tafel, kloppen op de muur of op de tafel, waren voor hen bewijzen van de onsterfelijkheid van de overledenen. De filosofie die zij bracht wilden ze niet aanvaarden. Daarom stichtte ze de Theosophical Society die als voertuig moest dienen om in hart en geest van de mens de boodschap van de oude wijsheid-religie over te brengen. Jarenlang waren de spiritisten de bitterste vijanden van HPB. Ze konden haar nooit vergeven dat zij hun gelederen verliet en haar eigen werk begon. Ze noemden het verraad, omdat ze de motieven en redenen voor haar optreden niet begrepen.
De houding van het ware occultisme tegenover het onderwerp van het zogenaamde spiritisme en de beweerde omgang met ontlichaamde entiteiten, is ondubbelzinnig vastgelegd in bepaalde Tibetaanse brieven en manuscripten, die HPB in haar artikel 'Tibetan teachings' citeert.* Volgens haar zijn de opvattingen weergegeven in de volgende fragmenten, die van de eerwaarde chohan-lama, die 'de hoofdarchivaris' was van de bibliotheken die de manuscripten over esoterische leringen bevatten die toebehoren aan de dalai lama en de tashi lama:
* Lucifer , september en oktober 1894, blz. 15, 98-101; CW 6:101-9.
. . . wij beweren dat het voor een volkomen zuiver 'zelf' niet mogelijk is om na zijn bevrijding van het fysieke lichaam in de aardse atmosfeer te blijven in zijn eigen persoonlijkheid, waarin hij op aarde leefde. Er zijn slechts drie uitzonderingen op deze regel:
Het heilige motief dat een bodhisattva, een sravaka of een rahat ertoe brengt diegenen die achterblijven, de levenden, te helpen dezelfde gelukzalige staat te bereiken, in welk geval hij zal blijven om hen te onderrichten, hetzij van binnenuit of van buitenaf; ten tweede diegenen die, hoe zuiver, onschuldig en betrekkelijk vrij van zonde ze tijdens hun leven ook zijn, zo in beslag worden genomen door een bepaald idee dat verband houdt met een van de menselijke maya's, dat ze overlijden vol van die allesoverheersende gedachte; en ten derde personen in wie een intense en heilige liefde, zoals die van een moeder voor haar alleen achtergebleven kinderen, een onbedwingbare wil schept of oproept, gevoed door die grenzeloze liefde, om bij en onder de levenden te blijven in hun innerlijke zelf.
De tijdsduur die aan deze uitzonderingsgevallen wordt toegekend verschilt. In het eerste geval bestaat er voor de bodhisattva, door de kennis die hij heeft verkregen als anuttara samyak sambodhi - het heiligste en meest verlichte hart - geen vaste limiet. Omdat hij gedurende zijn leven gewend was uren en dagen in zijn astrale lichaam te verblijven, heeft hij de macht om na de dood zijn eigen omstandigheden om hem heen te bepalen, die erop zijn berekend de natuurlijke neiging van de andere beginselen om terug te keren tot hun respectieve elementen, te beteugelen, en zij kunnen gedurende honderden of duizenden jaren op aarde afdalen of daar zelfs blijven. In het tweede geval duurt de periode totdat de almachtige magnetische aantrekkingskracht van het onderwerp van het denken - intens geconcentreerd op het ogenblik van het overlijden - zwakker wordt en geleidelijk vervaagt. In het derde geval wordt de aantrekkingskracht verbroken door de dood of door de morele onwaardigheid van hen die men liefhad. In geen van beide gevallen kan de periode langer zijn dan de duur van een leven.
In alle andere gevallen van verschijningen of communicaties, op welke wijze ook, zal de 'geest' een verdorven 'bhuta' of in het gunstigste geval een 'ro-lang' blijken te zijn - het zielloze omhulsel van een 'elementaar'. . . .
Want we wijzen onvoorwaardelijk en absoluut alle onkundige omgang met de ro-lang van de hand. Want wat zijn zij die terugkeren? Wat voor wezens zijn het die naar believen objectief of door een fysieke manifestatie kunnen communiceren? Het zijn onzuivere, grove, zondige zielen, 'a-tsa-ra's'; zelfmoordenaars; en ook degenen die een voortijdige dood hadden door een ongeval en nu in de aardse sfeer moeten blijven tot het ogenblik dat hun leven op een natuurlijke wijze zou zijn geëindigd. . . .
De wezens die vallen onder de tweede en derde groep - zelfmoordenaars en slachtoffers van een ongeval - hebben hun natuurlijke levensperiode niet tot een einde gebracht en zijn als gevolg hiervan aarde-gebonden, hoewel niet noodzakelijkerwijs boosaardig van karakter. De voortijdig uitgedreven ziel bevindt zich in een onnatuurlijke toestand; de oorspronkelijke impuls die het wezen tot ontwikkeling en in het aardse leven bracht, is niet uitgewerkt - de noodzakelijke cyclus is niet geëindigd, maar moet toch worden voltooid.
Hoewel deze ongelukkige wezens, vrijwillige of onvrijwillige slachtoffers, aan de aarde zijn gebonden, worden ze als het ware slechts tijdelijk vastgehouden in de magnetische aantrekking van de aarde. Ze worden niet, zoals de eerste groep, tot de levenden aangetrokken door een hevig verlangen zich te voeden met hun levenskracht. Hun enige drijfveer - die onbewust is, omdat ze meestal in een toestand van verdoving verkeren - is om zo spoedig mogelijk terug te komen in de maalstroom van de wedergeboorte. Hun toestand is wat wij een bedrieglijke Bar-do noemen - de periode tussen twee incarnaties. Overeenkomstig het karma van het wezen - dat wordt beïnvloed door leeftijd en verdienste in het afgelopen leven - zal deze tussenpoos langer of korter zijn.
Slechts een allesoverheersende intense aantrekkingskracht, zoals een heilige liefde voor een bemind persoon die in groot gevaar verkeert, kan hen met hun toestemming naar de levenden brengen; maar door de mesmerieke kracht van een Ba-po kan een doden-oproeper (iemand die necromantie bedrijft) - dit woord is met opzet gekozen, want de necromantische betovering is Dzu-tul, of wat u mesmerieke aantrekkingskracht noemt - hen dwingen tot ons terug te keren. Dit aanroepen wordt echter absoluut veroordeeld door diegenen die zich aan de Goede Leer houden; want de aldus aangeroepen ziel wordt bijzonder groot leed aangedaan, ook al is het niet de ziel zelf maar slechts haar schijnbeeld dat van de ziel is losgemaakt of afgescheiden en een verschijning wordt; door de voortijdige gewelddadige scheiding van het lichaam is de 'jang-khog' - de dierlijke ziel - nog zwaarbeladen met stoffelijke deeltjes - de natuurlijke scheiding tussen de grovere en de fijnere moleculen heeft niet plaatsgevonden - en de doden-oproeper laat hem, door deze splitsing kunstmatig af te dwingen, als het ware lijden als iemand die levend wordt gevild.
Daarom is het aanroepen van de eerste groep - de grove zondige zielen - gevaarlijk voor de levenden; het tot verschijning dwingen van de tweede en derde groep is onuitsprekelijk wreed voor de doden.
In het geval van iemand die een natuurlijke dood is gestorven, zijn de omstandigheden totaal anders; de ziel is bijna, en als zij zeer zuiver is geheel, buiten het bereik van de doden-oproeper en dus buiten het bereik van een kring van oproepers of spiritisten, die onbewust een werkelijke necromantische Sang-nyag, of magnetische bezwering uitvoeren. . . .
In ieder geval heeft zij op dat moment noch de wil noch het vermogen om enige gedachte aan de levenden te wijden. Maar als de periode van haar latente toestand voorbij is en het nieuwe zelf volledig bewust het gelukzalige gebied van devachan ingaat - als alle aardse nevels zijn uiteengedreven en het toneel en de betrekkingen uit het verleden duidelijk worden voor het spirituele oog - dan kan het gebeuren, en dit komt inderdaad zo nu en dan voor, dat zij, als ze allen ziet die ze op aarde heeft liefgehad en die haar liefhebben, alleen door de aantrekkingskracht van de liefde, de geesten van de levenden naar zich optrekt om contact ermee te hebben, en deze denken, als ze weer tot hun normale toestand zijn teruggekeerd, dat de ziel naar hen is afgedaald.
Daarom hebben wij een totaal andere opvatting dan de westerse Ro-lang-pa - spiritisten - wat betreft datgene wat ze zien, of waar ze contact mee hebben in hun kringen, en door middel van hun onbewuste necromantie. Wij zeggen dat het slechts de fysieke neerslag of geestloze overblijfselen van de overledene zijn; dat wat is afgescheiden, afgeworpen en achtergelaten toen de fijnere delen overgingen naar het grote hiernamaals.
Hierin blijven enkele fragmenten van herinneringen en intellect hangen. Deze maakten inderdaad eens deel uit van de mens en hebben daarom enige betekenis; maar het is niet de werkelijke en ware mens. Gevormd uit materie, hoe etherisch ook, moeten ze vroeg of laat worden meegesleept in maalstromen waarin de voorwaarden voor atomaire ontbinding aanwezig zijn. . . .
Aldus luidt de leer. Niemand kan stervelingen overschaduwen behalve de uitverkorenen, de 'volmaakten', de 'byang-tsiub, of de 'bodhisattva's' - zij die het grote geheim van leven en dood hebben doorgrond - omdat ze in staat zijn hun verblijf op aarde na het 'sterven' naar eigen wil te verlengen. Eenvoudig gezegd, een dergelijke overschaduwing betekent 'steeds opnieuw geboren te worden' voor het welzijn van de mensheid.
Dit alles laat zien hoe dwaas het is om te geloven dat het ontlichaamde wezen kan communiceren met degenen die het heeft achtergelaten, hetzij met behulp van mediums of op een andere manier. Niettemin is een verbinding mogelijk in het geval van 'aarde-gebonden' entiteiten, zoals elementaren, als de omstandigheden geschikt zijn voor deze uiterst gevaarlijke, en spiritueel en mentaal ongezonde handelwijze.
Het spiritisme is al miljoenen jaren bij de mensheid bekend. Sinds het midden van het vierde wortelras heeft de omgang met de schimmen van gestorvenen en de relatie met de zogenaamde psychische krachten in de mens altijd een bepaald soort mensen aangetrokken. Maar in de hele oudheid en ook nu in het oosten werd en wordt omgang met de bhuta's onveranderlijk beschouwd als onrein, verkeerd en moreel ongezond. Het woord bhuta zelf, dat betekent 'is geweest', is een opvallend goede en passende omschrijving. Aan de andere kant was het 'spiritualisme' dat HPB onderwees de leer van de kosmische geest: spiritualisme tegenover materialisme .
Het ware spiritualisme heeft niets te maken met necromantie, want het spiritualisme van de oudheid was de leer dat de wereld één onmetelijke levende organische entiteit is, samengesteld uit kosmische geesten, en dat ieder mens in zijn binnenste zo'n kosmische geest is, en de plicht en het onuitsprekelijke voorrecht heeft om door middel van zijn eigen innerlijke god in verbinding te treden met de spirituele gebieden. Ook was men van oordeel dat ieder mens een spirituele middelaar moet worden - iemand die de schakel vormt tussen de goddelijke en de lagere rijken; en verder dat iedere zelfbewuste entiteit meer of minder verheven is naarmate hij een middelaar wordt tussen de goddelijke zon en de mensen.
Dat was in het kort het spiritualisme van H.P. Blavatsky, het spiritualisme van de Ouden, de wijsheid-religie van de mensheid, onderwezen door de theodidaktoi - de 'door god onderwezenen' - van de landen rond de Middellandse Zee ongeveer in de tijd dat Jezus de avatara werd geboren, en ook in de tempels van Egypte en Perzië en Babylonië. In India werd het de brahmavidya genoemd of, in meer esoterische zin, de guptavidya, de theosofie die ook werd onderwezen door de druïden, door de oorspronkelijke bewoners van Amerika en door de Scandinaviërs - die overal in de wereld werd onderwezen.

paranormale verschijnselen
In de geschiedenis van de paranormale verschijnselen nemen de door het zogenaamde spiritisme in Europa, Amerika en elders verzamelde gegevens een belangrijke plaats in. Met opzet zeg ik dat geen term ooit zo verkeerd werd toegepast als het 'spiritisme' in verband met de zojuist genoemde verering van doden in Europa en Amerika, omdat daarin niets is wat met de geest [spirit] heeft te maken. De in de voorafgaande hoofdstukken gegeven leringen zijn die van het werkelijke spiritisme; de verkeerd betitelde praktijken van de moderne mediums en zogenaamde spiritisten betreffen de verering van de doden, in feite ouderwetse necromantie die door geestelijke leraren altijd werd verboden. Zij vormen een grove verstoffelijking van het begrip 'geest' en hebben meer te maken met materie dan met het tegenovergestelde. Door sommigen wordt verondersteld dat deze verering ongeveer 40 jaar geleden met het mediumschap van de zusters Fox in Amerika in Rochester, N.Y., ontstond, maar deze was al in Salem bekend tijdens de beroering over hekserij, en honderd jaar geleden werden dezelfde praktijken in Europa uitgeoefend, soortgelijke verschijnselen waargenomen, mediums ontwikkeld en seances gehouden. Sinds eeuwen is het algemeen bekend in India, waar het terecht ' bhûta -verering' wordt genoemd, dat wil zeggen de poging om met de duivel of met de astrale overblijfselen van overledenen in contact te komen. Dit zou ook hier de naam ervoor moeten zijn, want de grove en duivelse of aardse delen van de mens worden erdoor opgewekt, er wordt een beroep op gedaan en contact mee gezocht. Maar de feiten die over een periode van veertig jaar in Amerika zijn vastgelegd, vereisen een kort onderzoek. Deze feiten moeten door alle leergierige theosofen worden erkend. De theosofische verklaringen en conclusies zijn echter totaal verschillend van die van de gewone spiritist. Uit de gelederen of uit de literatuur van het spiritisme is geen filosofie voortgekomen; alleen theosofie kan de juiste verklaring geven, op de gebreken ervan wijzen, de gevaren blootleggen en oplossingen aanreiken.
Omdat het duidelijk is dat helderziendheid, helderhorendheid, gedachtenoverbrenging, profetie, dromen, visioenen, levitatie en spookverschijningen vermogens betreffen die al eeuwenlang bekend zijn, houden de meest brandende vragen over het spiritisme verband met het contact met de zielen van mensen die de aarde hebben verlaten en nu zonder lichaam zijn, en met niet nader aangeduide geesten die hier niet belichaamd zijn geweest maar tot andere gebieden behoren. Misschien verdient de kwestie van de materialisatie van vormen op seances ook enige aandacht. Berichten worden overgebracht door het spreken in trance, het schrijven op een lei of op ander materiaal, onafhankelijke stemmen in de lucht, het spreken door middel van de fysieke stemorganen van het medium en het neerslaan uit de lucht van geschreven boodschappen. Hebben de mediums contact met de geesten van de doden? Zien onze overleden vrienden de levensomstandigheden die ze hebben verlaten, en komen ze soms terug om tot en met ons te spreken?
De antwoorden zijn in voorgaande hoofdstukken aangeduid. Onze overledenen zien ons hier niet. Ze zijn bevrijd van de vreselijke kwelling die zo'n aanblik hen zou bezorgen. Een enkele keer is het mogelijk dat een medium dat een zuiver hart heeft en niet voor geld werkt, in trance kan opstijgen naar de toestand waarin een overleden ziel is, en zich misschien enige dingen kan herinneren van wat daar werd gehoord; maar dit is zeldzaam. Nu en dan keert in de loop van tientallen jaren een verheven menselijke geest misschien voor een ogenblik terug en treedt door onmiskenbare middelen in contact met stervelingen. Op het moment van de dood kan de ziel, voordat de deur voorgoed wordt gesloten, met een vriend op aarde spreken. Maar de grote meerderheid van de zogenaamde mededelingen, zoals die dag in dag uit via mediums worden gedaan, is afkomstig van de astrale, niet-intelligente overblijfselen van mensen of in veel gevallen geheel het produkt van het enigszins los verbonden astrale lichaam van het levende medium dat dingen verzint, samenvoegt, ontdekt en rangschikt.
Er zijn bepaalde bezwaren tegen de theorie dat de geesten van de doden contact met ons hebben. Enkele hiervan zijn:
I. Nooit hebben die geesten ons de wetten medegedeeld die de verschijnselen beheersen, behalve in enkele gevallen die door de spiritisten niet worden erkend en waarin de theosofische theorie naar voren werd gebracht. Omdat deze de constructies zoals die door A.J. Davis zijn opgesteld, zou omverwerpen, werden deze bijzondere geesten in diskrediet gebracht.
II. De geesten zijn het onderling oneens; de een beschrijft het leven na de dood heel anders dan een ander. Deze verschillen hangen samen met het medium en de opvattingen die de overledene tijdens zijn leven zou hebben gehad. De ene geest erkent dat er reïncarnatie is, en anderen ontkennen het.
III. De geesten hebben niets ontsluierd op het gebied van geschiedenis, antropologie en andere belangrijke zaken, en zijn kennelijk minder bekwaam op die terreinen dan levende mensen; en hoewel ze vaak beweren mensen te zijn die in oudere beschavingen hebben geleefd, blijken ze daarover onwetend of herhalen slechts pas gepubliceerde ontdekkingen.
IV. In deze veertig jaar hebben we van de geesten geen verklaring van de verschijnselen of van de ontwikkeling van het mediumschap gekregen. Men beweert dat grote filosofen via de mediums spreken, maar ze verkondigen slechts gebazel en de meest alledaagse dingen.
V. De mediums komen fysiek en moreel ten val, worden beschuldigd van bedrog, en blijken gebruik te maken van trucs; maar de geleide-geesten en 'overgeganen' doen niets om dit te voorkomen of hen te redden.
VI. Er wordt toegegeven dat de geleide-geesten en 'overgeganen' bedriegen en tot bedrog aanzetten.
VII. Uit alles wat over de geesten wordt bericht, blijkt duidelijk dat hun beweringen en filosofie - als ze die hebben - variëren met het medium en met de laatste opvattingen van levende spiritisten.
Door dit alles en veel meer dat men zou kunnen aanvoeren, wordt men in de materialistische wetenschap gesterkt in zijn spot; maar de theosoof moet tot de conclusie komen dat de wezens, als er al contact is, geen menselijke geesten zijn, en dat de verklaringen in andere theorieën moeten worden gezocht.
Materialisatie van een vorm uit de lucht, onafhankelijk van het fysieke lichaam van het medium, is een feit. Maar het is geen geest. Zoals één van de 'geesten', die zich niet in de gunst van het spiritisme verheugt, terecht zei, is één manier om dit verschijnsel teweeg te brengen: het samenbrengen van elektrische en magnetische deeltjes tot een massa waarop zich stof verzamelt en een beeld uit de astrale sfeer wordt weerspiegeld. Dat is alles; het is evengoed bedrog als wat mousseline en maskers. Hoe dit tot stand komt, is een andere zaak. De geesten kunnen het niet vertellen, maar in vorige hoofdstukken is geprobeerd de werkwijzen en hulpmiddelen aan te duiden. De tweede methode is die waarbij het astrale lichaam van een levend medium wordt gebruikt. In dit geval vloeit de astrale vorm uit de zijde van het medium naar buiten, trekt geleidelijk deeltjes naar zich toe, die aan de lucht en de lichamen van de aanwezigen worden onttrokken, totdat het tenslotte zichtbaar wordt. Soms lijkt het op het medium, dan weer heeft het een ander uiterlijk. Bijna altijd is schemerlicht een vereiste, omdat een helder licht de astrale substantie hevig in beroering zou brengen en het maken van een projectie zou bemoeilijken. Sommige zogenaamde materialisaties zijn schijnvertoningen zonder betekenis, omdat ze niets anders zijn dan vlakke platen van elektrische en magnetische substantie, waarop beelden uit het astrale licht worden weerspiegeld. Deze schijnen dan de gezichten van gestorvenen te zijn, maar het zijn alleen maar afbeeldingen van illusies.
Als men de paranormale verschijnselen, die in de geschiedenis van het 'spiritisme' voorkomen, wil begrijpen, moet men het volgende weten en aannemen:
I. Het geheel van erfelijke eigenschappen - astrale, geestelijke en psychische - van de mens als een wezen dat weet, redeneert, voelt en handelt door middel van het lichaam, het astrale lichaam en de ziel.
II. De aard van het denkvermogen, zijn werking en zijn vermogens; de aard en het vermogen van de verbeelding; de duur en het gevolg van indrukken. Heel belangrijk hierbij is dat zowel de meest oppervlakkige als de diepste indruk worden vastgehouden; dat elke indruk een beeld voortbrengt in de individuele aura en dat door middel hiervan een verbinding tot stand komt tussen de aura's van vrienden en familieleden - oude, nieuwe, nauwe of verre; hierdoor heeft een helderziende een breed terrein van mogelijkheden om te zien.
III. De aard, de reikwijdte, de functie en het vermogen van de innerlijke astrale organen en zintuigen van de mens die liggen besloten in de termen: astraal lichaam en kâma . Dat deze in hun werking niet worden belemmerd door trance of slaap, maar in een medium in trance worden versterkt; tegelijkertijd is de werking ervan niet vrij, maar wordt beheerst door de gezamenlijke gedachten van de deelnemers, door een overheersende wil of door de leidende duivel achter de schermen; als een kritische wetenschappelijke onderzoeker aanwezig is, kan zijn mentale houding de werking van de krachten van het medium geheel tegengaan door wat wij een bevriezingsproces kunnen noemen, waarvoor in onze taal geen passende term bestaat.
IV. Het lot van de werkelijke mens na de dood, zijn toestand, vermogens, werkzaamheid aldaar en zijn betrekking, als die er is, tot de mensen die door hem hier zijn achtergelaten.
V. Dat de middelaar tussen het denkvermogen en het lichaam - het astrale lichaam - bij de dood wordt afgeworpen en in het astrale licht wordt achtergelaten om daar geleidelijk te verdwijnen en dat de werkelijke mens naar devachan gaat.
VI. Het bestaan, de aard, de kracht en de werking van het astrale licht en zijn plaats in de natuur als een register. Dat het de beelden van alles wat iemand heeft meegemaakt en ook elke gedachte bevat, vasthoudt en weerspiegelt; dat het de aardbol en de atmosfeer eromheen doordringt; dat trillingen zich bijna ogenblikkelijk erin voortplanten, omdat de voortplantingssnelheid daarin veel groter is dan die van elektriciteit zoals we die nu kennen.
VII. Het bestaan in het astrale licht van wezens, die geen lichaam zoals het onze gebruiken en geen menselijke natuur hebben; die vermogens, zintuigen en een soort eigen bewustzijn hebben; tot die wezens behoren de elementale krachten of natuurgeesten, verdeeld in vele graden en die in verband staan met elke werking in de natuur en elke beweging in het denken van de mens. Dat deze elementalen op seances automatisch handelen op hun verschillende gebieden; de ene klasse toont ons beelden, de andere brengt geluiden voort en weer andere depolariseren voorwerpen om deze te laten 'vliegen'. In de astrale sfeer leven de zielloze mensen en werken samen met de elementalen. Aan hen moet onder andere het verschijnsel van de 'onafhankelijke stem' worden toegeschreven, die altijd klinkt als een stem in een vat en wel omdat ze wordt voortgebracht in een vacuüm, iets dat volstrekt noodzakelijk is voor een wezen dat zo veraf staat van de geest. Het belang van het bijzondere timbre van deze soort stem is de spiritisten niet opgevallen, maar volgens het occultisme is het van grote betekenis.
VIII. Het bestaan en de werking van occulte wetten en krachten in de natuur die kunnen worden gebruikt om waarneembare gevolgen op dit gebied voort te brengen; dat die wetten en krachten door de onderbewuste mens en door de elementalen, bewust of onbewust, in werking kunnen worden gezet en dat veel van die occulte werkingen automatisch gebeuren op dezelfde manier als water bevriest bij hevige koude of ijs smelt door warmte.
IX. Dat het astrale lichaam van het medium deelt in de aard van de astrale substantie, uit het stoffelijk lichaam kan worden gebracht, buiten dit laatste kan handelen en soms ook een deel van zichzelf, zoals een hand, een arm of een been, kan uitsteken en daarmee voorwerpen kan laten bewegen, brieven kan schrijven, aanrakingen op het lichaam kan veroorzaken, en zo ad infinitum . En dat men het astrale lichaam van iemand gewaarwordingen kan laten doen, die wanneer ze naar de hersenen worden overgebracht de persoon doen denken dat hij van buitenaf is aangeraakt of een geluid heeft gehoord.
Het mediumschap is vol gevaren, omdat het astrale deel van de mens nu alleen normaal werkt als het met het lichaam is verbonden; in de verre toekomst zal het normaal werken zonder lichaam, zoals het ook in het verleden heeft gedaan. Een medium worden, betekent dat men fysiologisch en in het zenuwstelsel ontregeld moet worden, want dit laatste vormt de verbinding tussen de twee werelden. Zodra de deur wordt geopend, stormen alle onbekende krachten naar binnen en omdat het grofste deel van de natuur het dichtste bij ons staat, worden we daardoor het meest beïnvloed; onze lagere natuur wordt daarbij ook het eerst beïnvloed en raakt verhit, omdat de krachten die worden gebruikt van dat deel van ons afkomstig zijn. We zijn dan overgeleverd aan de genade van de lage gedachten van alle mensen en onderhevig aan de invloed van de schillen in kâmaloka . Als daar nog bij komt dat men geld aanneemt voor het uitoefenen van het mediumschap, ontstaat er nog een gevaar, want de dingen van de geest en die betrekking hebben op de astrale wereld moeten niet worden verkocht. Dit is de ergste kwaal van het Amerikaanse spiritisme die zijn hele geschiedenis heeft verlaagd en ontaard; zolang deze niet is verholpen, kan er niets goeds uit voortkomen; zij die de waarheid over de andere wereld willen weten, moeten zich aan de waarheid wijden en alle geldelijke belangen buiten beschouwing laten.
Als men alleen uit nieuwsgierigheid of voor zelfzuchtige doeleinden probeert paranormale vermogens te verkrijgen, is dit om dezelfde redenen gevaarlijk als in het geval van mediumschap. Omdat onze huidige beschaving in hoge mate zelfzuchtig is en op persoonlijk voordeel berust, zijn de regels om die krachten op de goede manier te ontwikkelen niet bekend gemaakt, maar de meesters van wijsheid hebben gezegd dat eerst filosofie en ethiek moeten worden geleerd en toegepast voordat men zich aan enige ontwikkeling op het andere gebied mag overgeven; en hun veroordeling van de ontwikkeling van het mediumschap op grote schaal wordt gesteund door de geschiedenis van het spiritisme, waarin immers mediums voortdurend op alle mogelijke manieren ten onder zijn gegaan.
Even ongepast is de manier waarop wetenschappelijke instituten, zonder aandacht te schenken aan de ware menselijke natuur, zich overgeven aan proeven met hypnose, waarbij de slachtoffers voor hun leven worden beschadigd en worden gedwongen eerloos gedrag te vertonen en dingen te doen voor het genoegen van de onderzoekers, die mannen en vrouwen onder normale omstandigheden nooit zouden doen. De loge van de meesters geeft niets om de wetenschap, tenzij deze zich ten doel stelt zowel de ethische als de stoffelijke omstandigheden van de mensheid te verbeteren, en aan de wetenschap zal geen hulp worden verleend, tenzij deze de mens en het leven zowel ethisch als geestelijk gaat bezien. Daarom zijn zij die alles weten over de psychische wereld, haar bewoners en haar wetten, bezig met een hervorming van ethiek en filosofie, voordat meer aandacht wordt geschonken aan de vreemde en verleidelijke verschijnselen die binnen het bereik van de innerlijke vermogens van de mens liggen.
En op dit moment is de cyclus van deze eeuw bijna volbracht. Evenals een eeuw geleden nemen de krachten af; daarom zijn de verschijnselen van het spiritisme in aantal en omvang aan het verminderen; de loge hoopt dat wanneer het volgende getij begint op te komen, het westen enige werkelijke kennis zal hebben opgedaan over de ware filosofie van de mens en de natuur en er dan tegen bestand is dat de sluier iets meer wordt opgelicht. Dit boek is bedoeld om de vooruitgang van het ras in deze richting te bevorderen en met dat doel wordt het aan zijn lezers overal in de wereld voorgelegd.
Maar de belangstelling van onze lezers zal zich waarschijnlijk richten op hen die onweerstaanbaar worden aangetrokken tot het 'occulte', maar die noch beseffen wat de ware aard is van dat waarnaar ze streven, noch bestand zijn tegen begeerten en in nog mindere mate echt onzelfzuchtig zijn. Hoe staat het met deze ongelukkigen, zal men ons vragen, die zo door tegenstrijdige krachten worden verscheurd? Want het is al te vaak gezegd om herhaald te hoeven worden, en het feit zelf is duidelijk voor elke waarnemer, dat wanneer eenmaal het verlangen naar occultisme echt in het hart van een mens is ontwaakt, er voor hem geen hoop of vrede meer is, geen plaats voor rust en vertroosting in de hele wereld. Hij wordt in de woeste en verlaten ruimten van het leven gedreven door een steeds knagende onrust die hij niet kan onderdrukken. Zijn hart is te vol van begeerte en zelfzuchtig verlangen om door de Gouden Poort te kunnen gaan; hij kan in het gewone leven geen rust of vrede vinden. Moet hij dan onvermijdelijk vervallen tot toverij en zwarte magie en gedurende vele incarnaties voor zichzelf een vreselijk karma opbouwen? Is er voor hem geen andere weg? Die is er wel, antwoorden wij. Laat hij niet streven naar iets hogers dan hij kan verwezenlijken. Laat hij geen last op zich nemen die te zwaar is om te dragen. Laat hij, zonder ooit een 'mahâtma', een boeddha, of een grote heilige te worden, de filosofie bestuderen en de 'wetenschap van de ziel', en hij kan een van de bescheiden weldoeners van de mensheid worden, zonder 'bovenmenselijke' vermogens. Siddhi' s (of de vermogens van een arhat) zijn alleen voor hen die in staat zijn het 'leven te leven', die de vreselijke offers kunnen brengen voor zo'n training en dat letterlijk . Laat hen onmiddellijk weten en altijd onthouden dat waarachtig occultisme of theosofie de 'grote verzaking van het zelf' betekent, onvoorwaardelijk en absoluut, in denken en handelen. Het is altruÏsme en het werpt hem die het uit berekening beoefent volkomen uit de rijen der levenden. 'Niet voor zichzelf, maar voor de wereld leeft hij', zodra hij zich heeft verbonden voor dit werk. Tijdens de proefjaren wordt er veel vergeven. Maar zodra hij is 'geaccepteerd' moet zijn persoonlijkheid verdwijnen en moet hij een uitsluitend weldoende kracht in de natuur worden. Daarna zijn er voor hem twee polen, twee wegen, en geen middenweg voor rust. Hij moet òf moeizaam omhoogklimmen, stap voor stap, vaak door talrijke incarnaties zonder devachanische onderbreking, op de gouden ladder die leidt naar het mahâtmaschap (de arhat- of bodhisattva -toestand) òf - hij laat zich afglijden langs de ladder bij de eerste misstap en vervallen tot dugpaschap. . . - 'Occultism versus the Occult Arts', H.P. Blavatsky, Lucifer , mei 1888
Om aan de intelligente lezers van een modern tijdschrift, dat tenminste een deel van zijn pagina's wijdt aan studies van wat algemeen bekendstaat als occultisme en paranormale verschijnselen, zelfs maar een schets te geven van wat nu gewoonlijk occultisme wordt genoemd, vereist een filosofische uiteenzetting die een heel nummer zou vullen van een tijdschrift zoals The Occult Review ; en zelfs dan, om goed en op de juiste wijze te begrijpen wat occultisme wel en niet is, zou zo'n filosofische uiteenzetting ongetwijfeld moeten bestaan uit een verrassende tegenstelling tussen wat occultisme is aan de ene kant en alleen maar psychische praktijken en resultaten aan de andere kant. De titel van zo'n lange verhandeling zou daarom waarschijnlijk zoiets zijn als 'Occultisme tegenover psychische praktijken en hun gevolgen'. Er heerst veel te veel verwarring in de geest van mensen in het algemeen over deze dingen, en steevast wordt er een te zwakke scheidslijn getrokken tussen occultisme aan de ene kant en psychische praktijken en verschijnselen aan de andere kant. Vele jaren geleden, vóór de moderne voorvechtster van het occultisme, H.P. Blavatsky, haar werk in het westen begon met het stichten van de Theosophical Society, werden de woorden 'occultisme', 'psychisme', en 'paranormale verschijnselen', enz., in het geheel niet gebruikt of door slechts enkelen - ze waren in feite onbekend behalve aan de boekenwurm of de geleerde; maar sinds het stichten van de Theosophical Society in New York in 1875 door H.P. Blavatsky, kolonel H.S. Olcott, W.Q. Judge en anderen, worden deze woorden, naast vele andere soortgelijke termen algemeen gebruikt. Maar juist hun veelvuldig voorkomen in de moderne literatuur, zonder passende verklaringen, is de oorzaak van de verwarring waarover ik zojuist sprak. Trouwens wie is in deze tijd een echte occultist die door werkelijke esoterische training en ervaring gerechtigd is aan de wereld een heldere, volledige en duidelijke verklaring te geven van wat occultisme is; en, aan de andere kant, de betekenis te verklaren van de resultaten die meestal, helaas, noodlottig zijn en die zich als onvermijdelijke gevolgen voordoen als men zich met de geest en de wil onderwerpt aan wat nu gewoonlijk en veelal 'psychisme', 'psychische praktijken', of de 'psychische kunsten' wordt genoemd. Er bestaan inderdaad echte occultisten in de wereld en ze kunnen, nu we het toch daarover hebben, misschien wel even gemakkelijk in het westen als in het oosten worden gevonden, maar ze zonderen zich altijd min of meer af en maken zich zelden of nooit aan het publiek bekend. De enige uitzonderingen zijn zij die de ware esoterische theosofie ernstig bestuderen en door hun plichtsgevoel worden aangezet en in zekere zin gedwongen tenminste een deel van hun tijd te wijden aan het weergeven en verklaren van de verschillende betekenissen van deze zaken. Maar, afgezien van deze gevallen, heeft de grote stichtster van de Theosophical Society in onze tijd, H.P. Blavatsky, ons voldoende literair en traditioneel materiaal achtergelaten waardoor ieder die oprecht verlangt te weten wat occultisme en paranormale verschijnselen zijn, deze kennis kan verkrijgen door een degelijke en onpersoonlijke studie van haar werken. Het fragment uit een essay van H.P. Blavatsky dat aan dit artikel voorafgaat is daarvan een voorbeeld; ik beveel het van harte aan aan al die zogenaamde 'adepten' of 'yogî's' die menen en altijd ten onrechte menen dat het doornemen of de studie van de exoterische literatuur over het occultisme der eeuwen voldoende is om zich de verantwoordelijkheden en ook nog de rechten en privileges van de ware occultist aan te meten. H.P. Blavatsky met haar grote geest en haar schitterende literaire kwaliteiten heeft met het literaire materiaal dat ze heeft nagelaten, zoals bijvoorbeeld in bovengenoemd fragment, voor de wereld uiteengezet wat de kern van de hele leer over het ware occultisme is - wat het is en vooral wat het niet is. Occultisme betekent de studie van de verborgen en geheime processen van het heelal en van de wezens die het bewonen - van het heelal, dat de zichtbare en onzichtbare werelden omvat, de zichtbare en onzichtbare wezens die het bewonen en dus natuurlijk ook onze eigen zichtbare wereld en meer in het bijzonder onze aarde, voorzover het ons mensen betreft. Het ware occultisme betekent dus in de allereerste plaats en vóór alles studie, niet alleen van de structuur en de werkingen van de wetten, van de oorsprong, van de bestemming en, inderdaad, het belangrijkste van alles, van de morele doeleinden van de kosmos, maar omvat tevens, wat vanzelfsprekend is, een ernstige en voortdurende studie van de mens, die in zijn totaliteit één van de families of kleinere hiërarchieën van wezens omvat die tijdelijk deze stoffelijke bestaanssfeer bewoont. Het is van het hoogste belang hier met alle nadruk en kracht waarover ik beschik te verklaren, dat de studie van het occultisme, zonder een gelijkwaardige studie van de zedelijke normen, de ethiek - die niet slechts bestaat uit menselijke afspraken, maar berust op de structuur van het heelal zelf en op zijn inherente wetten van harmonie - een studie is die de ongelukkige volgelingen ervan slechts voert naar satanisme, diabolisme en uiteindelijk, als ze ermee doorgaan, zonder of verstoken van zedelijke normen, tot het verlies van de ziel en het steeds verder afdalen langs de schaal van de gemanifesteerde wezens. Wie zijn we? Waar komen we vandaan? Waarom zijn we hier? Waar gaan we heen? Wat is het heelal dat ons omringt, waarin we leven, ons bewegen en ons bestaan hebben en waarvan we allen, ieder van ons, integrerende en volstrekt onscheidbare delen zijn? In de antwoorden op deze vragen ligt de kern van het ware, echte archaïsche occultisme, het enige occultisme dat die naam verdient en het enige occultisme waaraan de volgelingen van de meesters van wijsheid, mededogen en vrede zich hebben gewijd. Het ware occultisme uit archaïsche tijden heeft niets te maken met griezelige, geheimzinnige dingen, zoals gewoonlijk en ten onrechte wordt verondersteld - het heeft daar totaal niets mee te maken, behalve om ze te onderzoeken en te verwerpen als op zijn best psychische oppervlakkigheden en op zijn slechtst psychische en ethische misbaksels of verdraaiingen van de waarheid. Bij het echte occultisme gaat het alleen om de geheimen van het universele zijn en hoe dichter men het grote kloppende hart van het heelal nadert, des te meer wordt men een occultist en des te dieper dringt men door tot de innerlijke betekenis en aard van wat het ware occultisme is. De zogenaamde 'occulte kunsten' of 'occulte praktijken' die de soi-disant magiërs van alle tijden en in alle delen van de wereld hebben beoefend, sommigen in het klein met betrekkelijk succes en anderen zonder succes, liggen slechts aan de grenzen van de grote waarheden van het universele zijn. Wat zijn eigenlijk deze zogenaamde psychische praktijken en verschijnselen? Niets anders dan de werking in en door de mens van bepaalde weinig begrepen en heel onbelangrijke krachten van zijn constitutie, meer zijn ze niet. Het zijn volstrekt geen dingen of doeleinden waarnaar we moeten streven; dat zijn ze niet waard; en, wat veel erger is, ze leiden de aandacht van de ware zoeker af van de grote werkelijkheden, in plaats van het denken te verruimen en het hart in ritmische harmonie te doen kloppen met het grote universele hart. Deze psychische praktijken en de verschijnselen en gevolgen die eruit voortvloeien hebben, zelfs bij matig succes, een vernauwende werking op de etherische en psychische bewustzijnssluiers waarin de belichaamde straal van de geest is gehuld, en beperken daardoor onze opvattingen, omgeven ons met nauwe grenzen van bewustzijn en roepen daarom in ons precies het tegengestelde op van dat waarnaar elke ware discipel van het archaïsche occultisme streeft, te weten uitbreiding van het egoïsche of menselijke zelf, tot het gelijk wordt aan zijn eigen ingeboren essentie, zijn 'Vader in de Hemel'. Ja, de ware onderzoeker van het occultisme streeft er zelfs naar steeds meer één te worden met het zelf van het galactisch heelal, ons eigen thuisheelal - er niet alleen gelijk aan te worden, maar er in bewustzijn één mee te worden. Want het is inderdaad zoals de oude vedische wijzen van Hindoestan zo edel leerden, tat tvam asi : dat, het grenzeloze, en u zijn één! Dat is het pad van de ware occultist; dat is inderdaad het ware occultisme. Het betekent het ontvouwen of uitbreiden van het innerlijke wezen van een mens, van zijn bewustzijn, en het verdwijnen of liever etherischer worden van de omhullingen van dit bewustzijn; het is ontwikkeling, groei, uitbreiding, verruiming, een steeds groter worden: dit pad is in feite een methode en training die een enorm versnelde, geestelijke, intellectuele en psychische ontwikkeling van het bewustzijn van de mens teweegbrengt, waardoor hij in geen enkel opzicht of op geen enkele manier, van het heelal gaat verschillen, maar er steeds meer één mee wordt. Dat is het inderdaad waarnaar de onderzoeker van het ware occultisme streeft - een versnelde geestelijke en intellectuele, ja ook psychische evolutie; maar deze evolutie voltrekt zich, als het een veilige, gezonde en waarachtige weg is, langs het pad van grootsheid waarop ik net heb gedoeld, langs het pad waarop ware innerlijke grootsheid is te vinden, langs het pad van innerlijke ontwikkeling en groei. Het najagen van zogenaamde psychische praktijken en verschijnselen en het daaraan wijden van zijn krachten en vermogens, komt in feite neer op een betreurenswaardige verspilling van kostbare tijd; het concentreren van zijn vermogens op deze dingen veroorzaakt als het ware een omkering van het innerlijke mechanisme van het bewustzijn en, om een uitdrukking te gebruiken die in deze tijd gemakkelijk wordt begrepen, zet de psychische motor in zijn achteruit, waardoor men achteruit in plaats van vooruitgaat. De occulte kunsten zijn gemakkelijk te beoefenen wanneer men eenmaal het geheim ervan kent en deze geheimen kunnen gemakkelijk worden ontdekt; en de oorzaken van paranormale verschijnselen worden nog gemakkelijker ontdekt - verschijnselen zoals de onbeduidende helderziendheid, de feilbare en vaak bedrieglijke helderhorendheid, het onbetekenende gedachtelezen. Dat zijn psychische gevolgen die slechts tot het bewustzijn van onze menselijke tussennatuur behoren - en het ergste is dat dit juist de dingen zijn die het denken van de mens van nu schijnen te fascineren. Mensen jagen er achteraan, raken in de jacht hun richting kwijt, als ze al niet hun mentale evenwicht verliezen; en aan het einde van hun dolle jacht doemt de psychiatrische inrichting op, of gaapt misschien, wat veel erger is, het graf van de zelfmoordenaar. Tel eens, als u wilt en kunt, hoeveel gebroken harten en ontwrichte zielen er overal zijn. Als men deze praktijken volgt is er niets dat geestelijk en intellectueel inspireert, niets dat straalt met de heilige vlam van onpersoonlijke toewijding aan de abstracte waarheid - niets. Vergelijk deze dingen eens met de eenvoudige grootsheid van de leer van de oude wijzen en zieners, de meesters van het ware occultisme uit oude tijden: O, mens, ken uzelf, want in u zijn alle geheimen van het heelal en dus van uw bestemming, want uzelf bent dat heelal en zijn bestemming is de uwe, en de uwe de zijne. Het zelf, het goddelijke, geestelijke zelf in ons, is het pad dat we moeten volgen als wij het 'hart' van het heelal willen bereiken. Leer begrijpen, dat uw medemensen en u in wezen dezelfde zijn, ja, dat u en het gehele heelal in essentie één zijn. Dat is occultisme. Deze leer bevat de geheimen van de verborgen dingen, de wetenschap van de dingen die geheim zijn. Dat is de betekenis van occultisme. Wat betekent dit woord 'occultisme' en wat is het adjectief 'occult' dat erbij hoort? Ze zijn niet nieuw; ze behoren historisch tot de Middeleeuwen van de Europese volkeren. Petrus Peregrinus schrijft dat occultisme in de twaalfde en dertiende eeuw eenvoudig de 'studie van de natuur' betekende, wat we nu experimentele wetenschap zouden noemen, de studie van de dingen die tevoren verborgen, onbekend, geheim waren; en het woord 'occult' werd toen in die betekenis gebruikt. Pas later, als gevolg van het samenvallen van een aantal karmische wegen van het lot, werd het denken van mensen in het westen min of meer gericht in een strikt theologische richting en moest het experimentele onderzoek van de natuur en haar manifestaties en geheimen op een opleving wachten, ongeveer tot de tijd van de Franse Revolutie, of tot betrekkelijk kort daarvoor. De wetenschappers van nu, scheikundigen, biologen, astronomen, natuurkundigen en wie al niet, zijn daarom in de etymologische betekenis van het woord 'occultisten'; en in hoe geringe mate ze misschien de grenzen van het bekende overschrijden, hoe weinig ze wellicht doordringen tot achter de sluier van het zichtbare, ze zijn niettemin, in etymologische zin, experimentele 'occultisten', d.w.z. onderzoekers van het onzichtbare, ontdekkers van het onbekende, van nieuwe waarheden - ze ontdekken wat verborgen is, openbaren wat geheim is. Het is natuurlijk duidelijk dat de zuiver etymologische betekenis van het woord, hoe interessant ook, niet de verheven betekenis bevat die de ware occultist uit de archaïsche en zelfs moderne tijd bedoelt als hij de woorden 'occultisme' of 'occult' gebruikt - de brahmavidyâ, de goddelijke wetenschap. De ware occultist van de theosofische school is inderdaad ook een experimenteel wetenschapper omdat ook hij verborgen dingen ontdekt en omdat ook hij in de onpeilbare diepten van het hart van de natuur duikt; maar in plaats van zijn werk en ontdekkingen te beperken tot de materiële sfeer, weet hij dat moeder natuur een groots organisch wezen is, waarvan onze uiterlijke stoffelijke sfeer niet meer is dan het uiterlijke schild, de buitenste sluier, het buitenste omhulsel, kleed of lichaam; en dat de grote werelden, de onzichtbare werelden, de oorzakelijke elementen bevatten van al het zijn en van alle wezens, en in onze uiterlijke sfeer alles voortbrengen wat we om ons heen zien. Als we deze gedachte nog iets verder uitwerken, dan zien we dat occultisme een onderzoek betekent van de innerlijke en onzichtbare werelden van het zijn en het leren kennen van wat zich daar bevindt, waaronder de menigten wezens die deze innerlijke en onzichtbare sferen bewonen; en men kan geen occultist zijn tenzij men precies wordt waar H.P. Blavatsky op wijst in het fragment dat ik aan dit artikel laat voorafgaan, een onpersoonlijk dienaar van de wereld. De reden daarvan is eenvoudig dat men het pad niet kan volgen, de weg niet kan gaan, niet op die verheven ontdekkingstocht kan slagen, tenzij men volkomen onpersoonlijk is, tot het laatste atoom geheel toegewijd aan de verheven dienst aan al wat is, en tenzij het hart is vervuld van een onpersoonlijke liefde die geen grenzen kent en geen beperkingen van tijd of plaats. Men kan in de innerlijke werelden niet doordringen als de gedachten voortdurend bezig zijn met een wilde dans van emoties of van psychische verwarring, een ware danse macabre , als kleine gedachten over kleine dingen grillig in het brein ronddartelen, begrensd en omringd door het beperkte menselijke bewustzijn van degene van wie het denken is gericht op zichzelf en niet op de wereld. Het vergeten van zichzelf, het moedig duiken in het onbekende, terwijl het vlammende vuur van de geest het pad vóór ons verlicht, en een volslagen, absoluut vertrouwen in de innerlijke god, kenmerken de ware occultist. Zo is het inderdaad. Alleen een volledig onpersoonlijk mens kan dit begrijpen en daarom kan alleen een onpersoonlijk mens in het grote werk slagen. Een hart, vrij van alle menselijke verlangens naar puur persoonlijk voordeel en alle verkeerde dingen, een ziel vrij van elk zelfzuchtig streven, een geest absoluut en voor altijd toegewijd aan de waarheid, de volstrekte, zuivere waarheid, wat dit iemand ook kost - dat kenmerkt de occultist. Zo is hij inderdaad! De oorzaken van de paranormale verschijnselen die in alle tijden door intelligente waarnemers zijn vastgesteld, liggen in het onregelmatig functioneren van de beginselen van de constitutie van mannen en vrouwen in wie deze beginselen min of meer los zijn verbonden en die daardoor vaak op een grillige en onvolmaakte manier functioneren. In die mensen werken de beginselen van de constitutie onregelmatig, grillig, onvolmaakt en hebben daardoor een vreemde en ongewone uitwerking op het brein van de mens, wat ongewone en vreemde toestanden en effecten teweegbrengt - 'verschijnselen'. Dit zijn in het kort de paranormale verschijnselen en hun oorzaken; de studie van psychische praktijken en verschijnselen is daarom een studie van de lagere omhulsels van het menselijke bewustzijn; maar met deze studie leert men niet de grote waarheden van de natuur, en het heeft ook geen blijvend nut voor het individu of de mensheid. Deze kunsten of praktijken en de begeleidende verschijnselen vertellen ons niets over de grote waarheden van het heelal; ze tonen niets over de oorsprong van de dingen, noch over de aard van de wereld, haar karakter, structuur, werkingen of wetten. Niets! Hoe kan een mens te weten komen wat de bestemming is van de onsterfelijke godheid die in hem straalt, als hij een verduisterd vertrek binnengaat, of een verlicht vertrek, en daarin naar verschijnselen zoekt, of door zijn individuele wil en brein te onderwerpen aan de volkomen onverantwoordelijke en meestal slechte bewoners van de astrale wereld? Al dergelijke kunsten en verschijnselen bestaan inderdaad. Hun bestaan is niet in het geding. Maar waarin ligt hun betekenis? Brengen ze het onweerlegbare bewijs van het overleven van het bewustzijn na de ontbinding van het lichaam, om een oude zegswijze van onze voorvaderen te gebruiken? In het geheel niet. Geen enkel wezenlijk bewijs, in de eerste plaats omdat men niet weet wat echte onsterfelijkheid betekent; men denkt dat ze het onveranderd voortbestaan betekent van de menselijke ziel zoals die nu is - wat een hel zou dat zijn! Denk eens in, eeuwig en altijd zijn wat we nu zijn! De leer van het occultisme staat daar lijnrecht tegenover. Die leer vertelt ons van een eindeloze groei, eindeloze verbetering, eindeloze ontwikkeling, eindeloze evolutie, en dus een eindeloos veranderen van bewustzijn, steeds hoger en hoger uit de menselijke sfeer naar de half-goddelijke, en uit de halfgoddelijke werelden naar de goddelijke en daarna naar de supergoddelijke enzovoort ad infinitum . Er bestaat niet zoiets als onsterfelijkheid zoals die gewoonlijk wordt opgevat. Het enige onsterfelijke is het heelal zelf; maar zelfs zoals het heelal nu is, is het beslist niet onsterfelijk, omdat het voortdurend zelf verandert en zijn essentie is zijn leven en dat is verandering per se, dat is groei, evolutie. Ook hier krijgt men een idee van wat het ware archaïsche occultisme betekende en wat het in werkelijkheid is en nu betekent. Hoe dieper we in onszelf graven, hoe dieper we doordringen achter de sluier van de uiterlijke natuur, want het meest innerlijke van onszelf en het meest innerlijke van de natuur zijn in wezen één en niet twee. Zoals ik hierboven heb gezegd is dit het pad dat de ware occultist volgt, dat smalle, oude, stille pad van de wijzen uit de oudheid dat loopt door de grenzeloze gebieden van de onbegrensde ruimte, innerlijke ruimte en uiterlijke ruimte, de ruimte-tijd van bewustzijn-substantie. Iemand die een slecht leven leidt, waardoor hij zijn vermogens verzwakt, zijn wil verlamt, de omhulling van het bewustzijn vernauwt en verstoffelijkt, zodat ze steeds beperkter wordt of onder innerlijke druk komt te staan, kan nooit een occultist zijn. Het occultisme vraagt om de hoogste ethiek, zuiver moreel gedrag, zoals ik eerder heb gezegd, een hart vrij van alle zelfzuchtige verlangens, een leven gewijd aan het dienen van alles in het heelal, van al wat leeft en een voortdurend groeiende intelligentie. Hij die dit pad kan volgen en dat ook doet is inderdaad een occultist. Afgezien van de onuitsprekelijke eenzaamheid, die ik hier slechts noem, die in de eerste stadia de onbevreesde zoeker die zich in deze wonderlijke gebieden waagt, overvalt, afgezien van het pijnlijke van persoonlijke scheidingen die plaatsvinden - een eenzaamheid en een pijn die eens verdwijnen en plaatsmaken voor een gevoel van eenheid met het al en een glorieus gevoel dat de vermogens toenemen - afgezien van dit alles, zeg ik, wijs ik op de onuitsprekelijke schoonheid van dit leven, op de onvergelijkelijke en onbeschrijflijke vrede, de oneindige vrede, de grote rust, de uitbreiding van begrip en het zelfbewust één worden met het grote mysterie. De oude Welshe barden zongen dat de ingewijde het groeiende gras kon horen zingen en dat evenzo het rondwentelen van de hemellichamen werd gehoord als een grote muzikale symfonie; zo is het inderdaad. Zelfs wetenschappers vertellen ons nu dat elk kleinste elektron voortdurend in beweging is en dat elke beweging van een substantieel deeltje door geluid wordt vergezeld, een toon, inderdaad een muzikale toon, zodat elk kleinste atoom voordurend zijn eigen karakteristieke lied zingt; en iedere combinatie van atomen vormt dus een harmonie, een symfonie. Zelfs ons stoffelijk lichaam zou, als we het konden horen, als een wonderlijke, symfonische orkestratie door ons worden gehoord, een prachtige symfonie van melodieën. 'Leef het leven en u zult de leer kennen', maar u zult die nooit kennen als u het leven niet leeft in zijn verbazingwekkende en fascinerende rijkdom, en 'het leven leven' betekent heel wat meer dan alleen de gebruikelijke ethiek volgen. De gebruikelijke ethiek is inderdaad goed en belangrijk, want die beteugelt de wilde en impulsieve hartstochten van de mens en houdt zijn rusteloze en veranderlijke gedachten in toom; maar 'het leven leven' betekent veel meer. Het betekent in de eerste plaats dat men tegenover zichzelf volkomen oprecht moet zijn, zodat de mens zelf zijn strengste en voornaamste criticus wordt, en verder dat men alles moet opgeven wat onwaardig is en vervangen door al wat het leven verrijkt, voller en ruimer van bewustzijn maakt, waardoor krachten en vermogens en energieën gaan functioneren en een rol gaan spelen die bij de meerderheid van de mensen helaas weinig meer zijn dan dromen of zelfs totaal onbekend. En tenslotte betekent 'het leven leven' een vastberaden wil en het denken richten op het enige doel, dat door niets kan worden veranderd, omdat het ware occultisme betekent het naar buiten brengen van het meest verhevene in de mens; daarom kan de ware occultist geen gehoor geven aan wat mensen zomaar zeggen, en kan hij nooit op slaafse wijze zijn wil ondergeschikt maken aan de verordeningen of voorschriften van anderen. Dat betekent echter niet dat de occultist geen leraren heeft. Integendeel; want een van de eerste regels of wetten van de occulte leer wijst op de absolute noodzaak voor de leerling, hoever hij ook is gevorderd, om te worden geleid en geholpen door anderen die op het pad van wijsheid, vrede en kennis verder zijn gevorderd dan hijzelf. De occultist volgt de opdrachten van de innerlijke god, zijn verheven meester; maar juist omdat hij zijn innerlijke meester zelfbewust begint te kennen, is hij in staat meesterschap en geestelijke en intellectuele grootsheid in anderen te herkennen en de leiding en hulp te verwelkomen van die anderen die verder zijn gevorderd dan hijzelf. In deze tijd waarin kritiek bij velen geliefd is, hoor ik vaak zeggen, zelfs onder theosofen, die helaas elkaar soms op onredelijke en onvriendelijke wijze bekritiseren, dat het voor een mens voldoende is geheel op de god in hem te vertrouwen en dat we geen leraren nodig hebben. Die uitspraak is helaas maar een halve waarheid. Ze is inderdaad tot op zekere hoogte juist maar gaat niet ver genoeg; want iedere ware occultist heeft wel degelijk leraren nodig, hoever hij ook is gevorderd langs het pad naar vader-zon. De occultist erkent het bestaan van een hiërarchie van verheven wezens, opklimmend, in rechtstreekse, opeenvolgende lijn, van buitengewoon edele mensen, tot de edelste en meest verheven goden van ons heelal en nog verder; en hij wordt in de loop van de tijd bijzonder gevoelig voor het bestaan van deze verheven wezens en ontwikkelt een scherp gevoel voor het feit dat de hiërarchie van leraren of van meesters in de wereld en daarboven deel uitmaakt van de structuur en substantie van het heelal zelf, en dat zijn eigen vooruitgang afhangt van zijn volstrekte trouw en eerlijkheid als het erom gaat als individu zijn eenheid met deze hiërarchie te herkennen en van boven instructies te ontvangen met eenzelfde onpersoonlijke toewijding tegenover zijn leraren als waarmee hij werkt voor degenen onder hem. Ja, alle leerlingen hebben leraren nodig, al is inderdaad de grootste leraar van een mens zijn eigen innerlijke god; zij die het mystieke pad hebben bewandeld weten dit en zijn dankbaar en richten zich met dankbaarheid tot hen die in mededogen en in de grootsheid van hun ziel zich als het ware omkeren en de hand reiken, een helpende hand, aan hen die achter hen komen op het pad. Voor de gewone mens, die nog niet voldoende vooruitgang heeft geboekt om de geestelijke en psychische zintuigen en vermogens in hem wakker te roepen, waarmee hij de hulp van een hogere leraar niet alleen verdient maar in feite afdwingt, is er altijd de wijsheid van de grote wijzen en zieners van alle eeuwen, en daarin kan de leerling-onderzoeker, met behulp van de verheven theosofische filosofie als sleutel, delven als in een mijn en zo schatten ontdekken die meer waard zijn dan alle vergaarde rijkdommen van de Golconda's van het aardse bestaan. Nu het woord 'psychisch' of beter gezegd de psyche, wat is dat? Het is een Grieks woord en betekent wat theosofen, als ze het over de constitutie van de mens hebben, het tussendeel van die constitutie noemen, dat is de lagere menselijke ziel. In het Nieuwe Testament staat in de Brief van Jacobus (3:15): 'Deze wijsheid komt niet van boven, maar is aards, ongeestelijk, duivels'; en de Griekse tekst luidt: oujk e[stin au{ th hJ sofiva a[nwqen katercomevnh, ajll j ejpivgeio¦, yucikh;, daimoniwvdh¦. Het woord dat hier is vertaald met 'ongeestelijk' is in het Grieks 'psychisch'. Maar de 'wijsheid' die vanboven komt, die de mens al in de geestelijke kern van zijn wezen bezit, is de wijsheid van onpersoonlijke toewijding, is liefde voor zijn medemensen, is inderdaad liefde die geen grenzen kent, een liefde die niet alleen de hele mensheid omvat, maar ook de dieren en de planten en de gesteenten, ja, die zelfs reikt tot de sterren aan de hemel, een wijsheid die geen haat kent, een liefde die de haat haat en de liefde liefheeft. Dit is de 'wijsheid' vanboven, liefdadig, vriendelijk, vredig, zuiver, heilig, rein en zoet. Ze voert ons naar de grote vrede, de grote vrede die betekent dat alle zintuigen het zwijgen wordt opgelegd zodat de innerlijke stem steeds beter kan worden gehoord. Het is de wijsheid die een mens intuïtief de diepste en grootste geheimen van de kosmische natuur doet kennen en daarmee vertrouwd maakt. Het is de wijsheid van onzelfzuchtige toewijding van de volledige mens aan het helpen en dienen van al wat leeft. Dit, naast andere dingen die te heilig zijn om hier te beschrijven, is occultisme. Kort gezegd is occultisme dus de studie en het onderzoek van de dingen die geheim zijn, die verborgen zijn; maar we moeten dat op de juiste manier doen, met een zuiver hart en onpersoonlijke motieven, anders bestaat er alle kans dat we op zijwegen geraken, aangetrokken tot lagere wijsheid, en op zijn best onze tijd verspillen aan psychische praktijken en proefnemingen en op zijn slechtst eindigen met je reinste toverij. Velen zullen deze uitspraak waarschijnlijk in twijfel trekken, en toch bestaan toverij en duivelarij werkelijk op aarde. Er zijn op het ogenblik mannen en vrouwen die kwalijke magie op elkaar toepassen, door middel van woorden, suggestie, het verkeerde voorbeeld, door voorschriften en door anderen te misleiden en verkeerd voor te lichten, waardoor ze menselijke zielen verlagen, opzettelijk verlagen; en ik zou niet weten welke toverij erger is dan deze. De occultist moet een zuivere ziel hebben, een onbuigzame wil, als hij erin wil slagen zijn verheven doel te bereiken, en een hart waarin mededogen en liefde, zijn alter ego, een grote rol spelen; een ziel, vrij van alle persoonlijke verlangens. Dan is hij veilig, en wat belangrijker is, zijn medemensen zijn ook veilig en kunnen hem vertrouwen . Een theosoof is dan ook niet iemand die over theosofie praat, of iemand die onze exoterische theosofische boeken uit het hoofd kent, of geleerd over theosofische onderwerpen kan spreken of lezingen kan houden; een theosoof is hij die het in praktijk brengt . 'Een theosoof is hij die theosofisch handelt', zoals H.P. Blavatsky het zo mooi heeft gezegd; en ik denk dat dit de toetssteen is van een ware theosoof of, inderdaad, van een ware occultist, want de twee zijn feitelijk één. Hij beoefent de leer die hij predikt.

Psychische wetten, krachten en verschijnselen
Het terrein van de paranormale krachten, verschijnselen en werkingen is uitgestrekt. Dagelijks en in alle landen worden zulke verschijnselen gezien en die krachten getoond, maar tot voor kort wijdden de mensen van de wetenschap er maar weinig aandacht aan, terwijl degenen die over de gebeurtenissen berichtten of verklaarden in het bovennatuurlijke te geloven, met spot werden overladen. In de Verenigde Staten ontstond ongeveer veertig jaar geleden een soort eredienst, die zich ten onrechte 'spiritisme' noemde, maar terwijl hier grote mogelijkheden lagen, liet men deze kans liggen en verviel men tot het uitsluitend zoeken naar wonderen zonder het geringste spoor van een filosofie. Het spiritisme heeft heel weinig tot stand gebracht, behalve een grote verzameling ongeordende feiten die in de loop van veertig jaar de serieuze aandacht van het publiek in het algemeen niet wisten te trekken. Hoewel het zijn nut heeft gehad en tot zijn aanhangers veel heldere geesten behoren, heeft volgens de discipelen van de loge, die de mens het liefst gelijkmatig en zonder rampen ziet voortgaan op het pad van zijn evolutie, het voordeel dat het opleverde niet opgewogen tegen de grote gevaren en nadelen die dit voor de mediums en hun bezoekers met zich meebracht. Maar andere westerse onderzoekers, die tot de gevestigde scholen behoren, hebben het niet veel beter gedaan, en het gevolg is dat er nu geen westerse psychologie bestaat die die naam waardig is.
Het ontbreken van een geschikt stelsel van psychologie is een natuurlijk gevolg van het materialistische vooroordeel van de wetenschap en de verlammende invloed van de dogmatische godsdienst; de een drijft de spot met elke poging en verspert de weg, en de ander verbiedt elk onderzoek. De rooms-katholieke tak van de christelijke kerk vormt echter in enkele opzichten een uitzondering. Deze heeft altijd het bestaan van een psychische wereld erkend - want die is voor haar het gebied van duivels en engelen, maar omdat engelen zich slechts vertonen als ze dat verkiezen, en duivels moeten worden vermeden, is het door de kerk aan niemand, behalve een gevolmachtigd priester, toegestaan zich met deze zaken in te laten. De kerk heeft gelijk dat ze de verderfelijke praktijk van de necromantie waaraan 'spiritisten' zich overgeven, verbiedt, maar dat geldt niet voor haar andere verboden en beperkingen. Ware psychologie is tegenwoordig een oosters produkt. Het is volkomen juist dat het stelsel in het westen bekend was, toen vóór het christelijke tijdperk een heel oude beschaving in Amerika en in bepaalde delen van Europa bloeide, maar tegenwoordig behoort de psychologie in haar ware vorm aan het oosten.
Zijn er psychische krachten, wetten en vermogens? Als die er zijn, moeten er ook verschijnselen zijn. En als alles wat in de vorige hoofdstukken is geschetst waar is, dan zijn in de mens dezelfde vermogens en krachten aanwezig die wij overal in de natuur kunnen vinden. De mens wordt door de meesters van wijsheid als het hoogste voortbrengsel van het hele evolutiestelsel beschouwd, en weerspiegelt alle vermogens van de natuur in zich, hoe verbazingwekkend of hoe verschrikkelijk die misschien ook zijn; juist omdat hij zo'n spiegel is, is hij mens.
In het oosten wordt dit allang erkend, en daar heeft de schrijver demonstraties van zulke vermogens gezien die de theorieën van veel westerse mensen van de wetenschap omver zouden werpen. En in het westen zijn dezelfde verschijnselen voor de schrijver herhaald, zodat hij uit eigen ervaring weet dat ieder mens, van welk ras ook, in aanleg dezelfde vermogens heeft. De echte paranormale - of zoals zij vaak worden genoemd, magische - verschijnselen voortgebracht door een oosterse fakir of yogî komen alle tot stand door toepassing van natuurlijke krachten en processen waarvan het westen tot nu toe zelfs niet heeft gedroomd. Levitatie van het lichaam, schijnbaar tegen de zwaartekracht in, kan heel gemakkelijk worden gedaan wanneer men dit proces volledig beheerst. Het gaat tegen geen enkele wet in. De zwaartekracht is slechts de helft van een wet. De oosterse wijze geeft toe dat de zwaartekracht bestaat, als men die zo wil noemen, maar de juiste term is aantrekking, omdat de andere helft van de wet wordt uitgedrukt door het woord afstoting, en beide worden beheerst door de grote wetten van de elektrische kracht. Gewicht en stabiliteit hangen af van de polariteit, en wanneer de polariteit van een voorwerp ten opzichte van de aarde recht onder dat voorwerp wordt veranderd, is het mogelijk dat het voorwerp opstijgt. Maar omdat gewone voorwerpen geen bewustzijn hebben, zoals wij dat in de mens vinden, kunnen ze zich zonder bepaalde hulpmiddelen niet verheffen. Het menselijke lichaam zal echter zonder enige steun van buitenaf als een vogel in de lucht opstijgen wanneer de polariteit ervan wordt veranderd. Deze verandering wordt bewust teweeggebracht door een bepaalde manier van ademhalen die aan de oosterling bekend is, en kan ook worden teweeggebracht met behulp van bepaalde natuurkrachten, waarover hierna meer, in die gevallen waarin mensen zonder de wet te kennen verschijnselen teweegbrengen zoals bij heiligen van de rooms-katholieke kerk.
Een derde grote wet, die bij veel van de verschijnselen in oost en west een rol speelt, is die van cohesie. De kracht van cohesie is zelf een bepaalde kracht en niet, zoals wordt verondersteld, een gevolg. Deze wet en haar werking moet men kennen als men bepaalde verschijnselen wil teweegbrengen, zoals bijvoorbeeld, wat de schrijver heeft gezien, een vaste ijzeren ring door een andere heen laten gaan, of een steen door een vaste muur. Daarbij moet een andere kracht worden gebruikt die wij slechts verstrooiing kunnen noemen. Cohesie is de overheersende kracht, want op het ogenblik dat de verstrooiende kracht ophoudt, brengt de cohesie de deeltjes weer terug in hun oorspronkelijke positie.
Als de adept in deze grote wet van de dynamica deze kracht gebruikt, kan hij de atomen van een voorwerp - altijd met uitzondering van het menselijk lichaam - tot op zo'n afstand uit elkaar drijven, dat het voorwerp onzichtbaar wordt en vervolgens kan hij ze langs een stroom die in de ether wordt gevormd elke afstand op aarde laten afleggen. Op het gewenste punt wordt de verstrooiende kracht opgeheven, de cohesie doet zich onmiddellijk weer gelden, en het voorwerp verschijnt opnieuw in ongeschonden staat. Dit klinkt misschien als een sprookje, maar omdat het aan de loge en haar discipelen bekend is als een werkelijk feit, is het ook zeker dat de wetenschap vroeg of laat het bestaan ervan zal erkennen.
Maar de leek, gekweld door het huidige materialisme, vraagt zich af hoe al die manipulaties mogelijk zijn, omdat er geen instrumenten worden gebruikt. De instrumenten bevinden zich in het lichaam en in het brein van de mens. Volgens de loge is 'het menselijke brein een onuitputtelijke krachtbron' en volledige kennis van de diepere scheikundige- en dynamische wetten van de natuur, gepaard gaand met een geoefend verstand, geeft de bezitter de macht die wetten waarop ik heb gedoeld, toe te passen. In de toekomst zal de mens deze kennis bezitten en hij zou die nu al hebben, als blinde dogmatiek, zelfzucht en materialistisch ongeloof niet in de weg stonden. Zelfs de christen leeft niet volgens de ware uitspraak van zijn meester dat hij die geloof heeft, een berg zal kunnen verzetten. Kennis van de wet, gepaard gaand met vertrouwen, geeft macht over de stof, het denken, ruimte en tijd.
Door gebruik te maken van dezelfde krachten kan een geoefend adept materie, die eerst niet zichtbaar was, in elke gewenste vorm zichtbaar voor onze ogen en objectief tastbaar laten ontstaan. De gewone mens zou dit schepping noemen, maar het is eenvoudig evolutie, die in onze aanwezigheid plaatsvindt. Stof wordt in de lucht om ons heen zwevend gehouden. Elk stofdeeltje, zichtbaar of nog niet geprecipiteerd, is door alle mogelijke vormen gegaan en de adept kiest een gewenste vorm die, zoals alle vormen, in het astrale licht bestaat, en bekleedt deze vorm door inspanning van de wil en de verbeelding door middel van precipitatie met stof. Het zo gevormde voorwerp zal vervagen, tenzij bepaalde andere bewerkingen worden toegepast, die hier niet beschreven hoeven te worden; maar als deze bewerkingen worden toegepast, zal het voorwerp blijven bestaan. En als men op papier of op een ander oppervlak een boodschap zichtbaar wil maken, worden dezelfde wetten en krachten gebruikt. Een duidelijk, fotografisch en scherp beeld van elke lijn van iedere letter of figuur wordt door het denken gevormd, en dan wordt aan de lucht de kleurstof onttrokken die binnen de door het brein - de onuitputtelijke verwekker van kracht en vorm - bepaalde grenzen neerslaat. Al deze dingen heeft de schrijver op de hier beschreven wijze zien gebeuren, en niet door een betaald en onverantwoordelijk medium; en hij weet waarover hij spreekt.
Dit leidt vanzelf tot de stelling dat de menselijke wil almachtig is en dat de verbeelding een heel bruikbaar vermogen is met dynamische kracht. De verbeelding is het beelden-makende vermogen van het menselijke denken. Bij gewone mensen is ze niet genoeg geoefend of bezit ze niet genoeg kracht om iets meer te zijn dan een soort droom, maar ze kan worden geoefend. En als ze is getraind, wordt ze de bouwer in de menselijke werkplaats. In dat stadium maakt ze een blauwdruk in de astrale substantie, door middel waarvan objectief zichtbare vormen kunnen ontstaan. Ze is na de wil het grootste vermogen in het menselijke samenstel van ingewikkelde werktuigen. De moderne westerse definitie van verbeelding is onvolledig en zit er helemaal naast. Ze wordt hoofdzakelijk gebruikt om er fantasie of misvatting mee aan te duiden, en betekent altijd iets onwerkelijks. Het is onmogelijk een betere term te vinden, want een van de vermogens van de geoefende verbeelding is het maken van een beeld. Het woord hangt samen met het vormen of weerspiegelen van een beeld. Het onbeheerste gebruik van dit vermogen of liever het lijdzaam ondergaan van de werking ervan, heeft ertoe geleid, dat het westen geen ander idee erover heeft gekregen dan door het woord 'fantasie' wordt opgeroepen. Tot op zekere hoogte is dit juist. Maar ze kan op een hoger niveau worden gebracht; wordt dit bereikt, dan ontwikkelt de verbeelding in de astrale substantie een werkelijk beeld of een vorm die dan op dezelfde manier kan worden gebruikt als een zandvorm voor gesmolten ijzer door een ijzergieter. Ze is daarom een koninklijk vermogen, omdat de wil zijn werk niet kan doen als de verbeelding maar enigszins zwak of ongeoefend is. Als bijvoorbeeld de persoon, die iets uit de lucht wil precipiteren, maar enigszins weifelt over het beeld dat in de astrale substantie wordt gemaakt, dan valt de kleurstof eveneens op een weifelende en verstrooide manier op het papier.
Om zich met het denken van een ander, op welke afstand ook, in verbinding te stellen, stemt de adept alle moleculen van de hersenen en alle gedachten zodanig af, dat ze in harmonie trillen met het denkvermogen waarop moet worden ingewerkt, en dat andere denkvermogen en brein moeten òf vrijwillig tot eenzelfde trilling in harmonie worden gebracht òf vrijwillig in harmonie komen. Al is de adept in Bombay en zijn vriend in New York, de afstand vormt geen belemmering, want de innerlijke zintuigen zijn niet afhankelijk van het oor, maar kunnen de gedachten en beelden in het denken van de ander zien en voelen.
Als een adept in het denken van een ander wil zien en zijn gedachten wil opvangen en de beelden om hem heen van alles wat hij heeft gedacht en waargenomen, dan richt hij zijn innerlijk gezicht en gehoor op het denkvermogen dat hij wil onderzoeken en onmiddellijk is alles zichtbaar. Maar, zoals al is gezegd, alleen een schurk zou dat doen, en de adepten doen het uitsluitend in gevallen waarin zij daartoe volledig zijn gemachtigd. De mens van nu ziet het niet als een ernstige overtreding om met dit vermogen inzicht te krijgen in de geheimen van een ander, maar de adepten beweren dat het een inbreuk is op het recht van de ander. Niemand heeft het recht, zelfs niet als hij de macht ertoe bezit, het gedachtenleven van een ander binnen te dringen en zijn geheimen eruit te lichten. Dit is de wet van de loge voor allen die zoeken en als iemand merkt op het punt te staan de geheimen van een ander te ontdekken, moet hij zich onmiddellijk terugtrekken en niet verder gaan. Als hij toch verder gaat, wordt hem, indien hij een leerling is, zijn vermogen ontnomen, en voor ieder ander geldt dat hij de gevolgen van dit soort inbraak moet dragen. Want de natuur heeft haar wetten en haar politiemensen en als wij misdrijven in de astrale wereld plegen, zullen de grote wet en haar beschermers die niet kunnen worden omgekocht, de straf voltrekken, hoelang we daarop ook moeten wachten, zelfs al duurt het tienduizend jaar. Hier geldt een ander soort bescherming voor ethiek en moreel gedrag. Maar niet voordat de mensen het filosofische stelsel dat in dit boek wordt uiteengezet, aannemen, zullen ze het verkeerd achten om misdrijven te plegen op gebieden waar hun zwakke menselijke wet niet van kracht is; en door tegelijk te weigeren deze filosofie te aanvaarden, stellen ze de dag uit waarop allen deze grootse vermogens ten bate van allen zullen bezitten.
Tot de verschijnselen die het vermelden waard zijn, behoren die waarbij men voorwerpen zonder fysieke aanraking laat bewegen. Dit is inderdaad mogelijk en wel op meer dan één manier. De eerste is om de astrale hand en de astrale arm buiten het fysieke lichaam te brengen en daarmee het voorwerp dat moet worden verplaatst, te pakken. Dit kan worden gedaan tot op een afstand van drie meter van de mens. Ik ga hierover niet in discussie, maar wijs slechts op de eigenschappen van de astrale substantie en ledematen. Dit kan tot op zekere hoogte dienen om verschillende verschijnselen van mediums te verklaren. Bijna al die verschijnselen worden teweeggebracht door op die manier de onzichtbare maar materiële astrale hand te gebruiken. Bij de tweede manier wordt gebruik gemaakt van de elementalen waarover ik heb gesproken. Ze hebben het vermogen, wanneer ze door de innerlijke mens worden bestuurd, voorwerpen te verplaatsen door de polariteit ervan te veranderen en dan zien we, zoals bij fakirs in India en sommige mediums in Amerika, kleine voorwerpen bewegen, schijnbaar zonder te worden ondersteund. Deze elementale wezens worden gebruikt wanneer dingen over grotere afstanden worden vervoerd dan de lengte waartoe de astrale ledematen kunnen worden uitgestrekt. Het is geen tegenargument dat de mediums niet weten dat ze dit doen. Ze weten zelden of nooit hoe ze verschijnselen teweegbrengen, en hun onwetendheid over de wet is geen bewijs dat die niet bestaat. Onderzoekers die deze krachten van nabij hebben zien werken, hebben hiervoor geen bewijzen nodig.
Homepagina Sangha Reiki


|